Wat is de betekenis van Cursus?

2022
2022-09-29
vindpunt

Vindpunt.nl

cursus

(zelfstandig naamwoord) [alg.] zie: geen Engels

Lees verder
2021
2022-09-29
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Cursus

Een cursus bestaat uit een aantal lessen die men kan volgen over een bepaald onderwerp. Deze reeks lessen vormen uiteindelijk een afgesloten geheel. Een cursus is dan ook wel een kortdurige opleiding. Iemand die een cursus volgt, wordt een cursist genoemd. Als de cursist slaagt voor de cursus, dan wordt er soms met een certificaat afgesloten. Cursu...

Lees verder
2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

cursus

cursus - Zelfstandignaamwoord 1. (onderwijs) een reeks lessen die een afgesloten geheel vormen     ♢ Hij kreeg ook een cursus bij dat abonnement. 2. een leerjaar Synoniemen leergang

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

cursus

cursus - zelfstandig naamwoord uitspraak: cur-sus 1. aantal lessen die bij elkaar horen ♢ ik volg een cursus om te leren tekstverwerken Zelfstandig naamwoord: cur-sus de cursus de cursus...

Lees verder
1993
2022-09-29
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Cursus

(kursus) leergang; schooljaar

1973
2022-09-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Cursus

[Lat., loop], m. (-sen), 1. leergang, een reeks van lessen die elkaar volgens een bepaald plan opvolgen en een afgesloten geheel vormen, in vakken van wetenschap of kunst: een in de algebra volgen; een schriftelijke volgen; (gew.) geven, college; 2. leerjaar: de 1973-74 begon met veertig leerlingen; de openen, sluiten; 3. inrichting waar een curs...

Lees verder
1955
2022-09-29
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Cursus

loop, leergang; lessenreeks; tijdruimte, waarin onderwijs wordt gegeven.

1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Cursus

s., kursus, leargong.

1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Cursus

(Lat.), m. (-sen), 1. leergang, een reeks van lessen die elkaar volgens zeker plan opvolgen en eenafgesloten geheel vormen, in vakken van wetenschap of kunst: een cursus in de algebra volgen; een schriftelijke cursus oprichten; cursus voor de hoofdakte; — hogere burgerschool met vijfjarige cursus, waar de gehele leerstof in 5 jaar behandel...

Lees verder
1949
2022-09-29
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Cursŭs

ūs, m. 1. in ’t alg., loop, reis, tocht, rit, vaart, vlucht enz.; in engere zin = snelle loop, volle vaart, versnelde pas (stormpas), geforceerde mars of rit, in cursu esse, in volle vaart zijn, van personen = met de grootste snelheid reizen, Cic.; poët. overdr. van zaken = in volle gang zijn, ook = nog voortduren, Ov. | fig., van...

Lees verder
1949
2022-09-29
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Cursus

tijdsduur gedurende welke een bepaalde inrichting van onderwijs bezocht moet worden voor het verkrijgen van het einddiploma; ook aanduiding voor elk der afzonderlijke leerjaren. Daarnaast zijn er instellingen, die schriftelijke cursussen geven.

1948
2022-09-29
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

cursus

(Lat.) m. loop; leergang, lessenreeks over een bepaald vak.

1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

cursus

m. (Lat.) cursus; (Ned.) cursussen (Lat. eig. loop: leergang, reeks van lessen over een bepaald onderwerp): een - in kunstgeschiedenis; hoofd-, nl. voor het examen van hoofdonderwijzer; een - volgen. (s = z).

1933
2022-09-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Cursus

Cursus - (Lat., → currere = loopen) beteekent: loop, kringloop, gang. 1° In liturgischen zin: inwendige schikking, regeling, van het Koorgebed, ofwel der Uren onderling, ofwel van het geheel. Alzoo: C. nocturnus (Nachtofficie), C. diurnus (Dagofficie); voorts: seculiere C., monnikscursus; Romeinsche, Benedictijnsche, Keltische, Mozarabisch...

Lees verder
1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

cursus

→ kursus.

1914
2022-09-29
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

cursus

cursus, - m. loop, gang; leergang; lessenreeks over een bepaald vak van kunst of wetenschap; tijdruimte, waarin onderwijs wordt gegeven.

1910
2022-09-29
Grieksche en Romeinsche Oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid

Cursus

Cursus - wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.

1908
2022-09-29
Vivat

Schrijver op Ensie

Cursus

lat. Loop, leergang, een samenhangend onderricht in een wetenschap of een onderdeel daarvan. Ook het onderwijs in zijn geheel, zooals dit aan eene school in een bepaald tijdsverloop, naar een vooral opgemaakt leerplan, gegeven wordt.

1908
2022-09-29
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Cursus

leergang, les.

1898
2022-09-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Cursus

CURSUS, m. (-sen), eene reeks van lessen, die elkaar volgens zeker plan opvolgen, en zeker afgesloten geheel vormen, in vakken van wetenschap of kunst: een cursus in de algebra volgen; een cursus in het schoonschrijven openen, oprichten; cursus voor de hoofdakte; — hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, waar de geheele leerstof in 5 jaa...

Lees verder