Wat is de betekenis van Cursus?

2021
2021-05-08
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Cursus

Een cursus bestaat uit een aantal lessen die men kan volgen over een bepaald onderwerp. Deze reeks lessen vormen uiteindelijk een afgesloten geheel. Een cursus is dan ook wel een kortdurige opleiding. Iemand die een cursus volgt, wordt een cursist genoemd. Als de cursist slaagt voor de cursus, dan wordt er soms met een certificaat afgesloten. Cursu...

Lees verder
2019
2021-05-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

cursus

cursus - Zelfstandignaamwoord 1. (onderwijs) een reeks lessen die een afgesloten geheel vormen     ♢ Hij kreeg ook een cursus bij dat abonnement. 2. een leerjaar Synoniemen leergang

Lees verder
2018
2021-05-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

cursus

cursus - zelfstandig naamwoord uitspraak: cur-sus 1. aantal lessen die bij elkaar horen ♢ ik volg een cursus om te leren tekstverwerken Zelfstandig naamwoord: cur-sus de cursus de cursus...

Lees verder
1993
2021-05-08
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Cursus

(kursus) leergang; schooljaar

1955
2021-05-08
vreemd

Vreemde woordenboek

Cursus

loop, leergang; lessenreeks; tijdruimte, waarin onderwijs wordt gegeven.

1952
2021-05-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Cursus

s., kursus, leargong.

1950
2021-05-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Cursus

(Lat.), m. (-sen), 1. leergang, een reeks van lessen die elkaar volgens zeker plan opvolgen en eenafgesloten geheel vormen, in vakken van wetenschap of kunst: een cursus in de algebra volgen; een schriftelijke cursus oprichten; cursus voor de hoofdakte; — hogere burgerschool met vijfjarige cursus, waar de gehele leerstof in 5 jaar behandel...

Lees verder
1949
2021-05-08
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Cursus

tijdsduur gedurende welke een bepaalde inrichting van onderwijs bezocht moet worden voor het verkrijgen van het einddiploma; ook aanduiding voor elk der afzonderlijke leerjaren. Daarnaast zijn er instellingen, die schriftelijke cursussen geven.

1948
2021-05-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

cursus

(Lat.) m. loop; leergang, lessenreeks over een bepaald vak.

1933
2021-05-08
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Cursus

Cursus - (Lat., → currere = loopen) beteekent: loop, kringloop, gang. 1° In liturgischen zin: inwendige schikking, regeling, van het Koorgebed, ofwel der Uren onderling, ofwel van het geheel. Alzoo: C. nocturnus (Nachtofficie), C. diurnus (Dagofficie); voorts: seculiere C., monnikscursus; Romeinsche, Benedictijnsche, Keltische, Mozarabisch...

Lees verder
1910
2021-05-08
Grieksche en Romeinsche Oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid

Cursus

Cursus - wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.

1898
2021-05-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Cursus

CURSUS, m. (-sen), eene reeks van lessen, die elkaar volgens zeker plan opvolgen, en zeker afgesloten geheel vormen, in vakken van wetenschap of kunst: een cursus in de algebra volgen; een cursus in het schoonschrijven openen, oprichten; cursus voor de hoofdakte; — hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, waar de geheele leerstof in 5 jaa...

Lees verder
1870
2021-05-08
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Cursus

Cursus, een Latijnsch woord, dat loop beteekent, dient veelal om een regelmatigen, wèlgeordenden leergang aan te duiden, waarbij de verschillende deelen eener wetenschap ordelijk en volledig worden behandeld. Daarom spreekt men ook van middelbare scholen met 3- of met 5-jarigen cursus, omdat het geheel der daar aan te leeren wetenschappen in dien t...

Lees verder
1864
2021-05-08
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

cursus

cursus - m. (cursussen), loop, leergang; reeks lessen over een bepaald vak