Wat is de betekenis van biggen?

2026-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Biggen

(bigde, heeft gebigd), (van zeugen) biggen werpen, jongen.

2026-08-11
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

biggen

1) (1912) (znw.) (Amsterdam) kinderen. • Ze wou d'r...

2026-08-11
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

biggen

biggen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het...

2026-08-11
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

biggen

de zeug bigde, h. (1,2), i....

2026-08-11
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

biggen

('biggen) (bigde, heeft gebigd) biggen werpen : zeugen kunnen –.

2026-08-11
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Biggen

BIGGEN, (bigde, heeft gebigd), (van zeugen) biggen werpen,...

2026-08-11
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2026-08-11
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)