Aanleggen
(legde of leide aan, heeft aangelegd of aangeleid), I. overg. 1. tegen of om iets aanbrengen, vastmaken: iemand boeien of kluisters aanleggen, aandoen ; — een maatstaf aanleggen, zie Maatstaf ; — (rijsch.) het linkerbeen aanleggen, tegen de zijde van het paard aandrukken om het links te doen zwenken ; &mdash...