Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Gepubliceerd op 30-05-2017

trainer

betekenis & definitie

Het begrip trainer heeft 5 verschillende betekenissen:

1) iemand die anderen traint.
iemand die een ander of anderen begeleidt in het aanleren of verbeteren van bepaalde vaardigheden; iemand die een ander of anderen traint in een vaardigheid.

2) sporttrainer.
iemand die voor zijn beroep of ook wel uit liefhebberij een sportploeg of individuele sporter traint; iemand die een sportploeg of een individuele sporter op technisch en tactisch gebied begeleidt; oefenmeester; coach.

3) iemand die dieren traint.
iemand die dieren traint; africhter.

4) toestel om op te trainen.
toestel dat dient om lichamelijke oefeningen op te doen; toestel om op te trainen.

5) modelvliegtuig.
handzaam modelvliegtuig dat vaak wordt gebruikt door beginnende hobbyisten.