kaars betekenis & definitie

Het begrip kaars heeft 15 verschillende betekenissen:

1) heel erg recht; zeer recht; kaarsrecht
2) een grote hoeveelheid (brandende) kaarsen bij elkaar
3) een aflopende zaak; iets wat niet blijft voortduren
4) dankbaar zijn voor iemand, zich gelukkig prijzen omdat voor iemand een zeker onheil is afgewend of door iemand een moeilijke taak is vervuld
5) kleine lamp in de vorm van een kaars die licht geeft door middel van batterijen, elektriciteit of zonne-energie
6) de energie is op; de fut is eruit
7) het genoemde aantal jaren oud worden; het genoemde aantal jaren een functie bekleden; het genoemde aantal jaren bestaan
8) iemand verbruikt zijn krachten of mogelijkheden in versneld tempo
9) staaf van bijenwas, paraffine of stearine met een kern die bestaat uit een draad van katoen (de zogeheten pit) en dient als verlichting of louter als decoratie
10) kleiner worden en uiteindelijk verdwijnen; zonder veel ophef en zonder dat het opzien baart langzaamaan verdwijnen
11) zijn krachten of mogelijkheden in versneld tempo verbruiken
12) bloeiwijze van een paardenkastanje
13) het heeft geen zin om een dom of eigenwijs persoon iets proberen bij te brengen of ergens van te overtuigen
14) stuk vuurwerk dat bestaat uit een lange papieren koker gevuld met kruit en lagen gekleurde kogeltjes, die na het aansteken van het vuurwerk laag voor laag uit de koker geschoten worden en verschillende kleureffecten veroorzaken
15) in een kerk of ander godshuis een kaars aansteken op de daarvoor bestemde plaats om een overledene te gedenken of om een verzoek aan een hogere macht kracht bij te zetten

Gepubliceerd op 30-05-2017