Werkwoorden vervoegen
naturaliseren
Tegenwoordige tijd naturaliseren
Ik naturaliseer
Jij naturaliseert
naturaliseer jij?
U naturaliseert
Hij/Zij/Het naturaliseert
Wij naturaliseren
Jullie naturaliseren
Zij naturaliseren
Verleden tijd van naturaliseren
Ik naturaliseerde
Jij/U naturaliseerde
Hij/Zij/Het naturaliseerde
Wij naturaliseerden
Jullie naturaliseerden
Zij naturaliseerden
Voltooid deelwoord van naturaliseren
genaturaliseerd
Tegenwoordig deelwoord van naturaliseren
naturaliserend