Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Gepubliceerd op 26-06-2020

Nucleus

betekenis & definitie

(Lat., kern),

1. celkern;
2. de volgende kernen van grijze stof in het centrale zenuwstelsel en andere opeenhopingen van weefselelementen. N. accumbens (Lat., aanliggend), gedeelte van de n. caudatus, dat tegen het septum pellucidum aanligt. N. alae cinéreae, groep van ganglioncellen onder de ala cinerea in de ruitvormige groeve; een vaguskern. N. a m b i g u ú s, de motorische kern van de nervus vagus in het verlengde merg. N. amygdalae, amandelkern; in de slaapkwab onder de lenskern. N. amygdalifórmis, = corpus subthalamicum (zie ald.). N. angularis, hoekkern; in de zijwand van de vierde hersenkamer. N. arcifórmis s. arcuatus, boogvormige celgroep aan de buikzijde van de olijf van het verlengde merg. N. caudatus, staartkern; zijwaarts van de thalamus opticus (zie ald.). N. centralis sup., in het dorsale gedeelte van de brug van Varol, ter weerszijden van de raphe. N. córporis mantillaris, kern in de corpora mamillaria (zie ald.). N. dentatus cerebélli, getande kern (met getande omtrek) in de kleine hersenen; olijf der kleine hersenen. N. dorsalis Clarkei, Stilling!, vgl. Zuilen van Clarke. N. embolifórmis, propvormige kern der kleine hersenen; syn. embolus. N. fasetculicuneati, kern van de wigvormige bundel (zie Tuberculum cuneatum) van het verlengde merg. N. fasciculi gracilis, kern van de slanke bundel (clava, zie ald.). N. fastigii (vgl. Fastigium), kern in het dak van de vierde hersenkamer, d.i. de onderste worm der kleine hersenen. N. gelatinósus, = N. pulposus. N. globósus, kern met bolle zwellingen der kleine hersenen, binnenwaarts van de n. emboliformis. N. habénulae (vgl. Habenula), in het trigonum habenulae. N. hypothalamicus (Lu ysi), lensvormige grijze massa, die tegen de pedunculi cerebri aanligt. N. intercalatus, ingelaste kern; groep van ganglioncellen in het verlengde merg. N. laquearis, in de brug van Varol, waaruit een vezelbundel of lis (laqueus lateralis) ontspringt. N. lateralis, zijkern in de zijstreng van het verlengde merg. N. lemnisci lateralis, kern van de zijlis in de brug van Varol. N. lentifórmis, liskern, zijwaarts van de n. caudatus. N. lentis, de kern, het inwendige van de lens van het oog. N. magnocellularis m ed ia I is, in de corpora mamillaria. N. olivaris i nf., benedenste olijfkern; de grijze stof der olijf. N. olivaris sup., bovenste olijfkern, in de brug van Varol. N. paramedianus, kleine celgroep middenwaarts van de hypogiossuskern in het verlengde merg. N. parvocellularis lateralis, in de corpora mamillaria. N. perifornicalis, kern om de fornix cérebri gelegen. N. praepósitusnüclei hypoglóssi, kern, bovenwaarts van de hypogiossuskern. N. pulpósus (pulpa, moes), geleiachtige kern van de kraakbeenschijven tussen de wervels. N. reticularis segménti, netvormige groep van ganglioncellen in de streek van het segmentum (zie ald.). N. reúniens, verbindende kern; deel der commissura mollis (zie ald.). N. rúber, rode kern; in de pedunculus cerebri onder het bovenste corpus quadrigeminum. N. salivatórius, speekselkern; in de brug van Varol. N. taeniaefórmis, lintvormige kern, = claustrum (zie ald.). N. tecti, dakkern, = N. fastigii. N. subthalamicus, = N. hypothalamicus. N. trapezoides, trapeziumkern; een deel van het corpus trapezoides.