tut betekenis & definitie

dom, ouderwets, preuts meisje. Oorspronkelijk een dialectwoord voor ‘speen’.

‘Och tut! dat is niet gevaarlijk!’ zegde hij en hij speekte tusschen zijne tanden om haar te toonen hoe ver hij kon speeken. (M.E. Belpaire, Het Landleven in de letterkunde der XIXe eeuw, 1902)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017