Labbekak betekenis & definitie

slappeling; sul; flauwerik; kinderachtig of bang persoon. Afgeleid van labben in de zin van ‘babbelen, snappen’ en kak van kakelen (later evenwel geassocieerd met uitwerpselen). Sedert ca. 1620. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het ook een bijnaam voor een anti-Duitsgezinde (zie hiervoor G.L. van Lennep).

Daer ien Labbekak zei vallen daer komt de Duivel ierst ien kusse leggen (Jan Vos, Klucht van Oene, 1662)

Maar jij hoeft er niks aan te doen, labbekak! (Willem van lependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

roddelaarster; kwaadspreker (kwaadspreekster).

Zy zaten zy aan zy in ’t kermiskleedt op straat. Een oude labbekak begon aldus de praat (Lukas Rotgans, Boerekermis, 1708)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017