klootjesvolk betekenis & definitie

het domme burgermanspubliek. In het tweede nummer van ‘Provo’ (maandblad van de provobeweging) dook voor de verburgerlijkte lagen van de maatschappij, de slaafse consumenten de verzamelterm klootjesvolk op. Het woord werd in de jaren zestig gereanimeerd door de schrijver J.B. Charles. Bredero had het in 1612 al over het klootjesvolk.

Indien enkele fransche tragedies een korte populariteit genoten, was het te danken aan den grooten naam, dien een acteur of actrice zich af en toe in een rol van Racine of Corneille wist te verwerven. Vreemdelingen, die uit nieuwsgierigheid kwamen; boeren en buitenlui, die een vroolijken avond doorbrachten na een prettigen dag; klootjes-volk, dat zich op de galerijen vermaakte door met nootedoppen en appelschillen in den bak te mikken, en in dien bak een kleine schaar van kenners; een publiek van te verschillende beweging om eene degelijke kunst te begeeren en te besehermen. (De Groene Amsterdammer, 19/07/1885)

Libéraél cónservatiéf stedeke van puur klootjesvolk. (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1898)

’t Hiernamaals is een uitvinding van het kapitaal; de fopspeen, waarmee ze ’t klootjesvolk binnen ’t kerkelijk loophek houe. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017