jangat betekenis & definitie

sukkel; onhandig en lomp, ook wel vergeetachtig manspersoon; keukenheld. Al opgetekend in de vroege zeventiende eeuw, o.a. bij Bredero en Constantijn Huygens. Wellicht ontstaan onder invloed van erg platte, tegenover vrouwen gebruikte invectieven als hondsvot hondsklink, hondskonte, aanduidingen voor de geslachtsopening van de teef. Vgl. eveneens Frans Jean Fesse en Engels Joe Soap, in dezelfde zin gebruikt. Bij Huygens komt het woord ook voor als scheldnaam voor een Spanjaard. Jo/t Gat is verder nog de volkse benaming voor het beeld van Zadkine, ‘Verwoeste stad’, te Rotterdam, dit vanwege het grote gat in het lijf van de afgebeelde figuur. Er bestond ook een werkwoord jangatten: zich als een jangat gedragen; helemaal opgaan in het bestieren van het huishouden of gedwongen worden dat te doen.

Dat raakt je niet, Jan Gat. Zo jy je ’er in steekt, kryg je vuistlook, vat je dat? (Pieter Langendijk, Het wederzyds huwelyksbedrog, 1714. Zevende druk van de editie uit 1977)

‘Als Jan Salie onder aan moet zitten,’ zegt een snaaksche bogchel - de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van Jan’s kinderen, - en zijn lach is dus ook bitter, ‘dan wordt hij mijn buurman! - Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen hier geen’ toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mij halen!’ (E.J. Potgieter, Proza 1837-1845. Eerste deel)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017