halfblanks heer betekenis & definitie

(in de achttiende eeuw) schertsfiguur die zich het uiterlijk van iemand van stand tracht te geven; armoedzaaier die zich als heer voordoet maar niet veel te zeggen heeft; kale kikker. Zo sprak men ook van een halfblanksjuffrouw. Halfblan(k)s heeft hier de betekenis ‘weinig betekenend’. Blank is een oude muntbenaming (zes duiten of driekwart stuiver). Destijds sprak men ook van een Hans Tweeschelling. Vgl. ook nog Eng. a twopenny -, a half penny person; Duits: ein Kerl fiir ’n Groschew, ein Kerl wie ’n Viertel Wurst für sechs Dreier.

Sans façon, zonder acht te slaan op den heer des huizes, of den voornaamsten des gezel- schaps, gaat hij op de beste plaatze zitten; hij drijft zelfs de insolentie meenigmaal zo ver, dat hij, schoon ook een halfblanks heer, gezeeten den heer des huizes, in zijn eigen huis (luister wel toe; ’t is der pijne waard) zegt, otour, gaa zitten en let wel, dat hij u dit verkoopt voor een bewijs van beleefdheid. (Pieter van Woensel, Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkeyen, Natoliën, de Krim en Rusland in de jaren 1784-89. Gepubl. 1789 en 1793)

Ja, een halfblanks heer was en bleef Stufken, hoe hij ’s Zondags ook zijn blozend gelaat met den wit kastoren hoed versierde, en de korte, dikke, door den vroegeren arbeid uitgezette, handen in een paar lichtkleurige glacé handschoenen wrong. (H.J. Schimmel, Het Gezin van Baas van Ommeren (voor dertig jaren). 2de druk, 1874)