hakkepoffer betekenis & definitie

(Bargoens) treuzelaar, talmer; iemand die langzaam voortgaat. Oorspronkelijk een informele benaming voor een motorbootje; een motorfiets of een stoomtreintje. In het slang van machinisten werd hakkepoffer ook gebruikt als aanduiding van een machinist die niet goed kon rijden, die veel kolen verbruikte en veel van de loc vroeg.

Hakkepoffer, onbedreven koetsier. Zeldzaam, waarschijnlijk van elders ingevoerd. Vgl. de Zaanstreek: Boekenoogen 1896, kol. 282 (T. van Veen, Taal en Leven in de Utrechtse Vechtstreek, 1989)