flapdrol betekenis & definitie

vent van niks, iemand die niks durft, slappeling; sufferd. Vroeger een synoniem van emmer (zie hiervoor Stoett nr. 552). Oorspronkelijk was het een Bargoens woord voor een ‘meid waar geen boon aan gelegen is’ (Moormann). Zie ook nog Endt (1974).

Is me dat een flapdrol van een meid! (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1866. Herdruk 1898)

Als burgemeester ben je een flapdrol. (Het Volk, 10/06/1914)

Ik ben niet van zins om met jou, met jou flapdrol, naar de krentetuin te verzeile. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)