flamingant betekenis & definitie

(in België) aanhanger van de Vlaamse beweging die streeft naar autonomie en zich verzet tegen de verfransingspolitiek in België. Niet iedere Vlaming is een flamingant. Sedert de Tweede Wereldoorlog wordt de term vaak geassocieerd met ultra- nationalisme, dit vanwege het feit dat een deel van de Vlaamse beweging destijds collaboreerde. Voor sommigen is het dan ook een geuzennaam (strijder voor de Vlaamse zaak), voor anderen een vilein scheldwoord {vuile flamingant). Het woord is geen afleiding van Vlaming, zoals wel eens wordt gedacht, maar werd ontleend aan de Franse kanselarijtaal. Daar sprak men (reeds in de vijftiende eeuw) van Flandre flamingante en Flandre gallicante. In de middeleeuwen betekende het Franse bijvoeglijk naamwoord flamingant gewoon ‘Vlaamssprekend’. De historicus Warnkönig blies deze terminologie rond 1835 nieuw leven in. Na 1840 werd flamingant in de Frans-Belgische pers een scheldwoord voor een Vlaming.

Men mag wel zeggen dat Meert een echt Belgische bourgeois is, die toevallig flamingant is geworden. (Het Vaderland, 29/11/1925)

Toen het Fransch flamingant onmiddellijk na 1840 in de Fransch-Belgische pers van dagelijksch gebruik werd, en tot een scheldwoord voor de Vlamingen was geworden, hebben dezen, als de Geuzen in de 16de eeuw, het scheldwoord overgenomen en tot een eerenaam verheven. Uit de vraag, die in den Gentschen Volksalmanak voor 1840 gesteld wordt: ‘Wat verschil is er tusschen een Vlaming en een Flamingant’, blijkt duidelijk, dat het woord onder de Vlamingen zelf toen al in zwang was. Thans zijn flamingant en flamingantisme, met de beteekenis die de Vlamingen er aan geven, opnieuw in het Fransch ingeburgerd. (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1931)

Onder de post bevinden zich ook wel enkele dreigbrieven in de klassieke stijl van: vuile flamingant, maak liever je testament, want je dagen zijn geteld. (Gazet van Antwerpen, 21/04/1977)