farizeeër betekenis & definitie

(vaak voorafgegaan door vuile) doortrapte huichelaar; schijnheilige; hypocriet persoon. Betekent eigenlijk ‘lid van een strenge joodse religieus-politieke partij’. Genoemd naar de sekte der farizeeërs uit de Evangeliën. Zij noemden zichzelf wellicht zo om zich te onderscheiden van de niet rein genoeg levende joden. Vanwege hun schijnheiligheid stonden ze slecht aangeschreven. Bekende spreekwijzen zijn: farizeeërsstreken; farizeeërsgezicht; licht de farizeër zijn masker af en gij ziet de duivel. Dit gaat terug op wat Jezus op verscheidene plaatsen (Matth. 6, Matth. 23, Luk. 12) gezegd heeft over de huichelachtigheid der farizeeërs. Bij de joden was het echter vaak een eernaam. Paulus ging er prat op dat hij een farizeeër, een farizeeërszoon was.

O, Fariseër! o, Geveinsde! O.Valsche, huichlende Apostaat! Gy werd gedoemd tot erger kwaad! (Nicolaas Beets, Guy de Vlaming, 1837)

... een listig koopman en sjacheraar, een sarrende sadist, een bigotte farizeëer. (Menno Ter Braak, Cinema militans, 1929)

Als je gaat staan word je door je buurman weer achterover getrokken: als je blijft zitten ben je een ‘vuile Farizeeër’. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)