falievouwer betekenis & definitie

(verouderd) onbetrouwbaar persoon; huichelaar; pluimstrijker. Volkstaal van de zestiende eeuw. Terug te vinden bij Tuinman, De Beer & Laurillard, Harrebomée en De Cock, doorgaans in de betekenis van ‘vleier’.

Mauriske van den chef was de eenige schooljongen die in de Witte zijn oogen nooit genade vond. ’t Was zoo ’n fijn labbekakske, met korte kousen en witten kraag, altijd kraak-netjes in de kleeren, de grootste lifleffer van den meester, een falievouwer van eerste klas, en eigenlijk de domste uil die in de school zat. (Ernest Claes, De Witte, 1920)

Ensiegebruikers willen de geschiedenisprijs winnen! Stem ook mee in slechts 3 seconden.Stem nu op Ensie | Encyclopedie sinds 1946