dekhengst betekenis & definitie

iemand die seksueel erg actief is; geile, viriele, oversekste man. In de zeventiende- eeuwse klucht ‘Door-trapte Meelis’ van W.D. Hooft (1594-1658) is sprake van een loutre dach-heynst: een flinke dekhengst, waarbij we te maken hebben met een woordspeling: nacht versus ‘dach’ en merrie versus ‘hengst’. Dach betekende in vroeger eeuwen ook dolk. Dekken is een platte term voor copuleren, paren (aanvankelijk enkel gezegd van dieren, later ook van personen). In marineslang betekent het woord ‘bootsman’ (zie Harmsen) terwijl havenarbeiders het kennen als spottende benaming voor een ‘stuurman op een sleepboot’ (Van Dale). Eind jaren tachtig gebruikten Twentse scholieren dekhengst als scheldwoord voor iemand met dom en ruw gedrag. Zie verder nog boeren (kar) hengst.

... een van die oudtestamentische dekhengsten die zijn vrouw weer bekend had, zodat ze hem een kind baarde. (Jan Wolkers, Terug naar Oegstgeest, 1965)

Volgens Clinton is het tijdperk van de watjes voorbij en het tijdperk van de dekhengsten aangebroken. (Elsevier, 03/10/1998)