(voor ’t gerecht), letterlijk een dag voor de rechtszitting vaststellen: „onthoud je dag!" Dag kreeg hieruit de bet. van rechtszitting zelf; vgl. Dagvaart: reis naar de rechtszitting ; dagvaarden: ter dagvaart oproepen. Ook dading, bijv. „een dading aangaan”, behoort hierbij; ’t staat voor ’t Mnl. dagedinc of dagedingh = rechtsgeding, proces op een bepaalden dag. Zie Verdedigen en Ding.
Uitgelicht
Wekelijks trending en actuele woorden ontvangen in je mailbox? Schrijf je net als 1.651 anderen in!