Paul van Tongeren

emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek RU Nijmegen en KU Leuven

Gepubliceerd op 14-01-2015

2015-01-14

Deugden

betekenis & definitie

Deugden zijn moreel goede karaktertrekken of houdingen.Ze staan centraal in de deugden-ethiek of deugdethiek.

Hun goedheid bestaat erin dat ze maken dat degene die ze heeft, zich daardoor optimaal verwerkelijkt en normaal gesproken (dat wil zeggen: als hij geen pech heeft) gelukkig zal zijn. Geluk wordt dan in morele zin opgevat. Dat betekent onder meer dat degene die deugdzaam is geprezen zal worden door de morele gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. De deugden-leer gaat terug op de Griekse filosoof Aristoteles (384-322). Hij stelde dat een deugd die houding is, die je in staat stelt in voorkomende situaties als vanzelf het juiste midden te kiezen. Moedig is degene die niet teveel angst voor gevaar voelt, maar ook niet te weinig; die niet te weinig durft, maar ook niet teveel en die bereid is gevaar te trotseren op het juiste moment (niet te vroeg en niet te laat). Er zijn evenveel deugden als er strevingen in de mens zijn en handelingssituaties waarin hij verzeild kan raken. Onder die vele deugden zijn er vier die als het ware structurerend zijn voor elke deugd: moed, maat, verstandigheid en rechtvaardigheid. Zij worden wel aangeduid als de ‘kardinale deugden’.Ook de andere deugden kunnen door deze vier worden gekaraktersieerd. Bijvoorbeeld: vriendelijk is diegene die zijn welwillendheid jegens andere mensen op moedige, maatvolle, verstandige en rechtvaardige manier weet te realiseren.