Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 19-01-2019

Zilver

betekenis & definitie

Zilver - scheikundig element, symbool Ag, atoomgewicht 107,883. Het is een van de oudst bekende elementen; het wordt in het Oude Testament genoemd. Vermoedelijk is het, evenals goud, als muntmetaal gebruikt. Over de herkomst is weinig met zekerheid bekend; men onderstelt, dat de Phoeniciërs het uit Armenië en Spanje kregen en dat het door een cupelleerproces werd gereinigd.

Scheiding van zilver en goud schijnt niet bekend te zijn geweest. De naam hangt meest samen met de kleur; de Hebreeuwsche is afgeleid van een werkwoord, dat „wit zijn” beteekent. Z. komt in de natuur voor gedegen, als z.-bromide, z.-chloride, z.-jodide, z.-sulfide, z.-selenide, z.-telluride en als z.-sulfozouten, verder als, naar de hoeveelheid, ondergeschikt bestanddeel in verschillende mineralen, vooral galeniet. — De technische bereiding van z. uit de eigenlijke zilverertsen, is, voor zoover Europa betreft, nog slechts van historische beteekenis. Hier wordt practisch alle z. gewonnen als bijproduct van de bereiding van lood, en in mindere mate van koper. In Noord-, Midden- en Zuid-Amerika daarentegen wordt nog eigenlijk zilvererts direct op metaal verwerkt, hoewel ook hier de gewinning uit lood en koper van groot belang is. De directe methoden zijn zeer uiteenloopend, al naar den aard van het uitgangsmateriaal. In hoofdzaak vervallen zij in 2 groepen, die, waarbij de door menging of door roosting met keukenzout in chloride overgevoerde ertsen met koperverbindingen en kwik tot metaal worden gereduceerd (amalgamatie-processen) en die, waarbij de extractie van het zilver wordt uitgevoerd met behulp van cyaannatrium op overeenkomstige wijze als bij goud gebruikelijk is (cyanideextractie-processen). Voor de verwerking van het ruwe „werklood” op zilver, zelfs indien het hiervan slechts eenige honderdsten procenten bevat, is allereerst noodig een concentratie van het zilver tot 0,2—0,3 %. Hiervoor komen vooral twee werkwijzen in aanmerking, n.l. a. het Pattinson-proces, berustende op het feit, dat bij de gedeeltelijke stolling van zwak zilverhoudend lood het zilver zich concentreert in de laatste vloeibare rest.

Dit dure proces is tegenwoordig meestal vervangen door b. het Parfees-proces, of de zink-ontzilvering, dat gebruik maakt van het feit, dat gesmolten zink slechts weinig (eenige %) in gesmolten lood oplost, daarmee dus een systeem van twee vloeistoflagen vormt, terwijl zilver, als derde component aanwezig, dan in hoofdzaak in de zinklaag trekt. Deze zinklaag, sterk loodhoudend, wordt afgeschept, uitgeperst, en het zink afgedestilleerd. Beide processen leveren dan een sterker zilverhoudende loodrest (0,5—10 % Ag), die door afdrijven op zilvermetaal wordt verwerkt. Voor Midden-Duitschland is de ontzilvering van koperertsen van beteekenis. Zij kan o. m. worden bewerkstelligd met behulp van het Ziervogel-proces, waarbij zóó geroost wordt, dat de beide voornaamste bestanddeelen, ijzer en koper, in oxyden, het zilver daarentegen in sulfaat wordt overgevoerd. Dit laatste kan van de oxyden worden gescheiden door extractie met water. Uit de verkregen oplossing van zilversulfaat wordt het metaal afgescheiden met behulp van koperspanen. Het op de een of andere wijze verkregen zilver wordt tegenwoordig veelal langs electrolytischen weg geraffineerd, waarbij weer goud als bijproduct kan worden verkregen.

Is dit gehalte van eenige beteekenis, dan wordt het, ook zonder electroraffinage, gewonnen door scheiding met warm, sterk zwavelzuur, waarin het zilver wèl, doch het goud niet oplosbaar is. Zie ZILVER (GEDEGEN). Zilver is een wit, glanzend metaal; indien het licht echter een groot aantal malen op zilver wordt weerkaatst, heeft het een geelachtige tint. In fijnverdeelden toestand heeft het een grauwachtige kleur, in de verdeeling, zooals in de fotografische beelden, verschillende van rood en geel tot zwart. In kolloïdale verdeeling kan het gele tot bruine tinten vertoonen. In zeer dunne lagen laat het blauwachtig licht door. Het kristalliseert in regulaire kristallen. Het is de beste geleider voor electriciteit, dien men kent.

Het soortelijke gewicht, dat, zooals bij de meeste metalen met de voorgeschiedenis varieert, bedraagt ongeveer 10.5. In zuiveren toestand is z. een uiterst week metaal, zoodat het voor de meeste technische doeleinden niet bruikbaar is, maar met een ander metaal, meestal koper, moet worden geallieerd. Men kan het tot uiterst dun draad trekken, zoodat 1 M. slechts 0.0063 Gr. weegt en tot blad uitwalsen, dat niet meer dan 0.00025 m.M. dik is. Kleine bijmengselen veranderen deze elastische eigenschappen zeer sterk; zoo is z. met 0,1% seleen onbruikbaar, terwijl een bismut bevattend metaal voor muntdoeleinden te bros is. Z. smelt bij 960° en verdampt merkbaar tusschen 1200 en 1500°. In de knalgasvlam of in een electrischen oven kan men het destilleeren. Het gesmolten metaal is een goed oplosmiddel voor zuurstof, welk gas echter bij het stollen weer wordt afgegeven en dan de reeds vast geworden deeltjes wegslingert, het z.g. „spatten van het z.” De damp heeft een groene kleur. Chemisch behoort z. tot de edele metalen ; het wordt door zuurstof niet aangetast.

Ook is het bestand tegen de inwerking van water en van de niet oxydeerende zuren. Het lost op in salpeterzuur en in heet sterk zwavelzuur onder vorming van de overeenkomstige zouten. Zwavelverbindingen, vooral zwavelwaterstof, werken er zeer gemakkelijk en bij gewone temperatuur op in onder vorming van een zwart sulfide. Ook de halogenen werken reeds bij gewone temperatuur op het metaal in. Alkaliën, zelfs in gloeienden toestand, tasten het niet aan. Z. wordt toegepast in zuiveren toestand, als schalen en kroezen voor chemische apparaten, in legeeringen vooral met koper voor gebruiks- en luxe-voorwerpen en voor munten, als draad voor galon, tressen en derg. en voor het maken van een aantal zouten, waarvan de voornaamste zijn het nitraat, chloride, bromide, jodide, oxyde, subchloride en sulfide.