Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 19-06-2020

viool

betekenis & definitie

v./m. (violen),

1. strijkinstrument, dat uit een langwerpige ronde, in het midden ingesnoerde, betrekkelijk platte, kleine kast met klankgaten bestaat en met vier snaren bespannen is (e); eerste –, die de partij daarvoor inzet; hij speelt de eerste –, deelt de lakens uit;
2. bespeler van een viool in een orkest: hij is eerste, tweede –;
3. zaaiviool.

(e) De viool is het hoogste instrument uit de groep van de violini. Het instrument heeft vier snaren met stemming g, d', a', e". De snaren worden gemaakt van (schape-)darm, (tegenwoordig meestal) omwoeld met aluminium of zilver, of bestaan uit een al dan niet omwoelde stalen draad. De snaren worden aangestreken met een strijkstok, bespannen met paardehaar. Dit wordt stroef gemaakt door het opbrengen van zeer fijn verdeelde hars. Het in trilling komen van de snaren berust op het →stick-slipeffect. Als maker van de eerste, als modern te beschouwen viool wordt K.Tieffenbrucker genoemd. In Italië stond de vioolbouw al vroeg op een zeer hoog peil. G.da Salò was daar een van de vroegste vioolbouwers. N.Amati, G.A.Guarneri en m.n. A.Stradivari worden als de grootste vioolbouwers beschouwd. Buiten Italië werden o.a. bekend de Oostenrijker J.Stainer en de Fransen N.Lupot en J.B.Vuillaume. M.Klotz grondvestte in 1683 een vioolbouwcentrum in Mittenwald (Beieren), waar violen als huisnijverheid werden vervaardigd. Ook de in de nabijheid van Mittenwald gelegen plaats Markneukirchen en de stad Mirecourt in de Franse Vogezen waren dergelijke centra. LITT. S.Arakelian, Die Geige (1958); J.Rödig, Geigenbau in neuer Sicht (1962); I.Galamian, Principles of violin playing and teaching (1962); G.Bachmann, An encyclopedia of the violin (herdr. 1969); L.Metz, Strijkinstrumenten vroeger en nu (1973); E.Melkus, De viool (1977).