Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 13-12-2021

Pruisen

betekenis & definitie

vm. staat in Duitsland, die in 1939 dertien provincies omvatte: Oost-Pruisen, Brandenburg, Pommeren, grensmark Posen–West-Pruisen, Neder-Silezië, Saksen, Sleeswijk-Holstein, Hannover, Westfalen, Hessen-Nassau, de Rijnprovincie, Hohenzollern en de stad Berlijn. Na de Tweede Wereldoorlog werd het Pruisische gebied verdeeld tussen de USSR, Polen, de DDR en de BRD, terwijl Berlijn een afzonderlijke status verkreeg.

Pruisen ontstond in 1525, doordat de Duitse Orde werd geseculariseerd en omgezet in het hertogdom Pruisen. De naam is ontleend aan de stam der Pruisen (Prutheni), een krijgshaftig volk, verwant met de Letten en een der voornaamste objecten van de expansie van de Duitse Orde. In 1618 werd het keurvorstendom Brandenburg verenigd met Pruisen. De Dertigjarige Oorlog (1618–1648) betekende voor de Pruisische dynastie der Hohenzollerns nieuwe machtsaanwas: het gebied werd vergroot met Achter-Pommeren, de vm. bisdommen Maagdenburg en Halberstadt, alsmede Kleef. Pruisen was na Oostenrijk de grootste Duitse staat, maar het was lange tijd dun bevolkt, betrekkelijk achterlijk en kende lange, slecht verdedigbare grenzen, terwijl het omringd werd met potentieel machtiger landen als Zweden, Polen en Oostenrijk. Deze handicap werd gecompenseerd door een strak georganiseerd ambtenarenapparaat en door het relatief grote gedeelte van het nationaal inkomen dat aan defensie werd besteed.

Pruisen werd hierdoor het voorbeeld van een militaristische staat, waarvan de Pruisische landjonkers, die de leidende posities in leger en bureaucratie bezet hielden, als symbool golden. Onder de ‘grote keurvorst’ Frederik Willem reeds werd de economische kracht van het land opgevoerd door interne kolonisatie en uitbreiding van de prille nijverheid. De overwinning op Zweden bij Fehrbellin (1675) bewees Pruisens kracht.

In 1701 werd Pruisen tot koninkrijk verheven. Onder koning Frederik Willem I werd de fiscale en militaire macht van Pruisen nog sterk uitgebreid, zodat het zich onder Frederik II de Grote in militair opzicht met grotere mogendheden kon meten. In de Oostenrijkse Successieoorlog (1740–48) annexeerde Pruisen Silezië, dat het in de Zevenjarige Oorlog (1756–63), ondanks de toen tijdelijk zeer gevaarlijke vijandelijke overmacht, wist te behouden. Daarna leverden de Poolse Delingen (1772–95) Pruisen forse gebiedsaanwas op.

Na Frederik II verstarden staat en leger zodanig, dat de Derde Coalitieoorlog Pruisen noodlottig werd; bij de Vrede van Tilsit (1807) verloor het al zijn gebied ten westen van de Elbe en het grootste deel van zijn Poolse bezit. Het resterende Pruisen kwam onder Frans toezicht, maar wist zich deels te herstellen; het leger werd verbeterd en er werden onder leiding van Vom Stein en Hardenberg diverse hervormingen doorgevoerd. De afschaffing van de lijfeigenschap hield in dat de boeren de vrijheid moesten bekopen met een derde tot de helft van hun grond, welk verlies ten goede kwam aan de jonkers. In 1812 moest Pruisen deelnemen aan Napoleons Tocht naar Rusland, maar de mislukking daarvan stelde het land in staat zich bij Frankrijks vijanden aan te sluiten.

Na de ondergang van Napoleon (1814) onderging Pruisen enorme gebiedsuitbreiding, maar de belangrijkste aanwinst, het Rijnland, was door Hannover en Keur-Hessen van het kernland gescheiden. Pruisen volgde in de Restauratieperiode in het algemeen de reactionaire politiek van de Oostenrijkse kanselier C.von Metternich, maar legde met de oprichting van de Deutsche Zollverein in 1834 de basis voor zijn latere machtsuitbreiding over geheel Duitsland. Koning Frederik Willem IV zwichtte tijdelijk voor de Maartrevolutie van 1848, maar weigerde in 1849 de Duitse keizerskroon, omdat hij het desbetreffende aanbod van het Frankfortse Parlement een revolutionair initiatief achtte.

Zijn broer Wilhelm I trok, om het parlementaire verzet tegen zijn legerhervorming te breken, O.von Bismarck aan als minister-president. Deze effende met de minister van Defensie A.von Roon en stafchef H.von Moltke de weg naar Duitse eenheid onder Pruisische hegemonie, waarbij de overwinningen in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) en in de Frans-Duitse Oorlog (1870) de voornaamste mijlpalen vormden. In 1867 ontstond de Noordduitse Bond, die in 1871 plaats maakte voor het Duitse Rijk waarvan de Pruisische koning keizer werd (zie Duitsland, GESCHIEDENIS).

LITT. F.L.Carsten, The origins of Prussia (1954); G.Craig, The politics of the Prussian army (1955); H.Rosenberg, Bureaucracy, aristocracy and autocracy, the Prussian experience (1958); R.Dietrich (red.) Preussen: Epochen und Probleme seiner Gesch. (1964); U.Scheuner, Der Staatsgedanke Preussens (1965); R.Dietrich, Kleine Gesch. Preussens (1966); R.Kosellieck, Preussen zwischen Reform und Revolution (1967); H.W.Koch, A hist. of Prussia (1978).