Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 19-06-2020

oorlogstijd

betekenis & definitie

m., 1. tijd dat er oorlog wordt gevoerd; 2. in België een zuiver juridisch begrip, dat volkomen vreemd is aan het feit van het al dan niet bestaan van vijandelijkheden op het nationaal grondgebied (e).

(e) Aanvang en einde van de oorlogstijd worden bepaald bij art. 58 van de wet van 15.6.1899 (titel il van het Wetboek van Militaire Strafrechtspleging): oorlogstijd vangt aan op de dag, bij KB bepaald, voor de mobilisatie van het leger; hij eindigt op de dag, bij KB bepaald, voor het terugbrengen van het leger op vredesvoet. In tegenstelling tot de →staat van beleg kan de oorlogstijd dus uitgeroepen noch opgeheven worden; hij is een automatisch gevolg van de mobilisatie van het leger. Oorlogstijd heeft belangrijke gevolgen, die o.a. door de besluitwet van 11.10.1916 bepaald worden, te weten:

1. centralisering en concentratie van alle politiebevoegdheden in handen van de koning, die ze echter, geheel of gedeeltelijk, kan afvaardigen aan de provinciegouverneurs, of aan de arrondissementscommissarissen, handelende als organen van het centraal bestuur;
2. mogelijkheid tot invoering van de censuur (in strijd met art. 18 GW);
3. ingeval het verkeer tussen een gedeelte van een administratie of rechterlijke omschrijving en de hoofdplaats van dit gebied onderbroken is, kan de koning een andere hoofdplaats aangeven of het gedeelte aan een andere omschrijving toevoegen;
4. mogelijkheid voor de provinciegouverneurs, arrondissementscommissarissen en burgemeesters voor opeising van personen en zaken om de werking van de openbare diensten te verzekeren;
5. mogelijkheid voor de koning, mits eensluidend advies van de ministerraad, bepaalde bevoegdheden, geheel of gedeeltelijk, toe te kennen aan de burgerlijke of aan de militaire overheden. Ook kunnen de door de koning afgevaardigde overheden opdracht geven aan de officieren van gerechtelijke politie, van de militaire veiligheidsdienst en van de rijkswacht, over te gaan tot huiszoekingen, zowel bij nacht als bij dag, in de woningen van de burgers, alsook tot fouillering. De koning kan verder alle vergaderingen verbieden die van dien aard zijn, dat zij wanorde verwekken of ondersteunen. Tenslotte heeft de koning het recht toezicht te laten uitoefenen op de privé-briefwisseling, deze te laten achterhouden of ze in beslag te laten nemen. Zolang de oorlogstijd duurt kan de koning zijn macht nog versterken door het uitroepen van de staat van beleg.