Reserveer nu mijn nieuwste boek

Allometrie betekenis & definitie

Het niet recht-evenredig toenemen van een morfologische variabele met het lichaamsgewicht

Allometrische relaties ontstaan als je verschillende diersoorten vergelijkt aan de hand van een bepaald morfologisch kenmerk, bijvoorbeeld de lichaamslengte. Dan blijkt heel vaak dat zo’n kenmerk niet recht-evenredig toeneemt met het lichaamsgewicht. De relatie met het lichaamsgewicht is veelal van de gedaante: Y = a W$$$^b$$$, waarbij Y de gemeten variabele is (bijv. lichaamslengte), W het lichaamsgewicht en a en b vaste coëfficiënten. Alleen als b = 1 neemt Y recht evenredig toe met W (d.w.z. dan is Y een vaste fractie van W). Men spreekt dan van isometrie. Als b ≠ 1 is er sprake van allometrie. Als b > 1 neemt Y sneller toe dan W (de grafiek geeft een steil oplopende kromme lijn). Als b < 1 neemt Y langzamer toe dan W (steeds vlakker wordende kromme lijn).

In het geval van lichaamslengte verwachten we een b-waarde ongeveer gelijk aan 1/3. Namelijk, het volume (gewicht) van een voorwerp neemt toe met zijn lengte tot de derde macht. Allometrische relaties gelden zolang de vorm hetzelfde blijft en alleen de afmetingen verschillen.

Een allometrische relatie kan altijd lineair weergegeven worden door links en rechts de logaritme te nemen. Dan krijg je log Y = log a + b log W, een rechte lijn met helling b en intercept log a.

Allometrische relaties gelden voor veel kenmerken van dieren. Het hersenvolume van zoogdieren neemt allometrisch toe met het lichaamsgewicht volgens H = 0,12 W$$$^{0,67}$$$, waarbij H het hersenvolume is. Deze relatie is de basis voor de definitie van het encephalisatiequotiënt.

Laatst bijgewerkt 24-08-2018