Reserveer nu mijn nieuwste boek

Allen, regel van betekenis & definitie

Evolutionaire wetmatigheid beschreven door de Amerikaanse zoöloog Joel A. Allen die in 1877 stelde dat warmbloedige dieren een meer afgerond lichaam en kortere extremiteiten hebben naarmate ze bij een hogere breedtegraad leven

De regel van Allen is samen met die van Bergmann de bekendste ecogeografische regel: een wetmatigheid die een verband legt tussen biologie en breedtegraad. Net als de regel van Bergmann is die van Allen gebaseerd op oppervlakte-inhoud-overwegingen. Omdat warmteverlies evenredig is met het lichaamsoppervlakte en het opwekken van warmte met het volume, is het in koude streken gunstig om weinig oppervlakte te hebben. Maar anders dan bij Bergmann wijst Allen op de verandering van lichaamsvorm die dit kan bewerkstelligen: kleine oren, kortere benen en een gedrongen lichaamsvorm.

De regel van Allen gaat ook op voor de mens. In een klassieke studie werd een Afrikaanse bevolkingsgroep uit Soedan vergeleken met een groep arctische Eskimo’s; dit liet zien dat de Soedanezen een lichaamsoppervlakte hadden van gemiddeld 294 cm$$$^2$$$ per kg en de Eskimo’s van 256 cm$$$^2$$$ per kg. Conform de regel van Allen zijn de crurale en brachiale indices positief gecorreleerd met de minimumtemperatuur: de onderarmen en bovenarmen zijn korter bij mensen in een koud klimaat. Dit blijkt ook te gelden voor de handen: de eerste handwortelbeentjes zijn korter en dikker. In de voet vindt men echter geen trend; het lijkt erop dat de loopfunctie van de voet de evolutie van koude-aanpassingen beperkt heeft.

Overigens moet bij empirisch onderzoek naar trends in lichaamsvormen rekening worden gehouden met de genetische verwantschapsrelaties die meespelen bij het vergelijken van bevolkingsgroepen van nabij gelegen plaatsen op aarde. Daarmee rekening houdend verdwijnen sommige trends. Ook evolueren de verschillende onderdelen van het menselijk lichaam niet onafhankelijk van elkaar.

Laatst bijgewerkt 03-11-2018