De (Herv.) Grote of Laurentiuskerk in Weesp betekenis & definitie

(Nieuwstraat 31) is een forse driebeukige basilicale kerk met een driezijdig gesloten koor, een dakruiter en een hoge toren. Een vermoedelijk 13de-eeuwse tufstenen kerk ter plaatse werd in de 15de eeuw - mogelijk vanaf 1429 (wijding 1462) - in baksteen herbouwd als een eenbeukige kruiskerk.

Daarvan resteert nog enig muurwerk aan de oostzijde. Eind 15de eeuw heeft men het schip verhoogd en de zijbeuken toegevoegd. Begin 16de eeuw verrees het laatgotische koor. Tegen de zuidzijde van de kerk staan een 18de-eeuws portaal, een voorm. kosterswoning (circa 1860) en - bij het koor - een vroeg-16de-eeuwse sacristie, nu consistorie en kerkmeesterskamer. Aan de noordzijde bevinden zich een met natuursteen omlijste laat-gotische ingang (15de eeuw) en een classicistisch portaal met koepeldak (1673). De kerk werd verder verbouwd in 1855, hersteld in 1913 (J.L. Plaat) en gerestaureerd in 1969-'78.

Het in terieur wordt gedekt door houten tongewelven met trekbalken. De zuilen in het schip hebben kapitelen met dubbele bladkransen. In het koor zijn de muurdammen tussen de vensters voorzien van nissen en rusten de muurschalken op gebeeldhouwde consoles. Bij de restauratie zijn wijdingskruisen ontdekt en enkele laat-middeleeuwse schilderingen. Verder zijn bij de verlaging van de vloer achtzijdige bankjes rond de zuilbasementen te voorschijn gekomen. Tot de inventaris behoort een laat-gotisch koorhek (circa 1525), waarop in na de Reformatie twee tekstborden zijn aangebracht (Tien Geboden en de Twaalf Artikelen des Geloofs). Van de 17de-eeuwse banken in het koor is er één overhuifd en voorzien van de laat-gotische bekroning van de oude preekstoel (verkocht 1862). Verder bevat de kerk grafzerken en rouwborden (17de-18de eeuw), een kabinetorgel (circa 1800) en een door J. Bätz gebouwd orgel (1823). De toegang tot de consistorie is uitgevoerd in rijke Lodewijk XV-stijl (1755); het opzetstuk toont een pelikaan die haar jongen voedt. In de zelfde stijl zijn de schouwen in de consistorie en de kerkmeesterskamer uitgevoerd.

De toren heeft vijf geledingen en wordt bekroond door een ingesnoerde spits met lantaarn en peervormige bekroning. Vermoedelijk in de 13de eeuw - kort na de bouw van de tufstenen kerk - verrezen de drie met lisenen en rondboogfriezen in romaanse stijl uitgevoerde onderste torengeledingen. De twee bovenste geledingen zijn 15de-eeuws en de huidige spits kwam vermoedelijk begin 16de eeuw tot stand. Bij de restauratie in 1969-'78 heeft men de bovenste galmgaten van de toren gereconstrueerd. In de toren hangen luidklokken van Henrick Wegewaert (1614) en Pieter Hemony (1674) en een carillon van 38 klokken, waarvan één van Jan Moer (1562), dertien van Pieter Hemony (1671) en één van Claes Noorden en Jan Albert de Grave (1711). De uurklok is gegoten door Geert van Wou (1506), het speelwerk dateert uit 1676.

De kosterij (Kerkstraat 19) bestaat uit twee diepe panden die in de 18de eeuw achter een lijstgevel zijn samengevoegd.

Gepubliceerd op 30-05-2017