Woordenboek Nederlands -Latijn

Dr. J.F.L. Montijn (1949)

Gepubliceerd op 14-02-2022

Faber

betekenis & definitie

I. făbĕr, bri, m.

1. handwerksman, kunstenaar, tignarius, timmerman, Cic., ferrarius, smid, Pl.; plur. fabri, handwerkslieden, vooral bij het leger, een bijzonder corps, dat onder de praefectus fabrum (= fabrorum) stond, Caes.
2. zonnevis.

II. făber, bra, brum, kunstig, meesterlijk.

< >