Van den Vos Reinaerde betekenis & definitie

Middelnederlandsch dierenepos, het beste dierenepos (➝ Dierenfabel) der M.E.: om de eenheid van bouw in de schikking van allerlei episoden; om de gezonde, kloeke, geestige scherts; om de werkelijke verbeelding, een echte schepping, geen loutere phantasie; om de fijne karakterschakeeringen van de dieren en de onovertroffen zuiverheid van het anthropomorphisme; om het leven, de beweging, den gang van het verhaal: de dichter gaat geheel op in zijn schepping; hij is er in, niet er naast; eindelijk en bovenal om de buitengewoon fijne psychologie, waarmee geheel het verhaal opgebouwd wordt: een echt, zuiver Vlaamsch kunstwerk. De dichter, Willem „die Madocke makede”, waarschijnlijk een monnik, van de Premonstratensen-abdij van Drongen, of van de Benedictijnenabdij van St.

Pieter te Gent, volgde een Fransch verhaal van Perrout de St. Cloud zeer zelfstandig, waarvan hij het zwakke slot door een merkwaardige ontknooping van eigen vinding heeft vervangen.

De naam van een tweeden dichter, Arnout, door een handschrift (het Dycksche) in v. 6 van den proloog vermeld, is zeker oorspronkelijk geweest Perrout, de naam van Willems bron. Alles pleit er voor, dat de R. nog vóór het einde der 12e eeuw is ontstaan.

Doel was: vroolijke scherts in leuke avonturen en bedrijven; diep-liggende bedoelingen zoeke men er niet achter. R. is zoo min de verpersoonlijking van den burgerstand als van welken stand ook.

Later, eerst naarmate ook het dierenepos verburgerlijkt werd, kwamen de zucht naar leering en de satyre, soms bijtend en scherp, den toon en de voorstelling wijzigen. Dit is het geval met een nieuw deel van ongeveer gelijke lengte, dat een Westvlaming, zoowat honderd jaar later, er naar het model van het eerste aan toevoegde en dat de Reinaert II heet.

De R. I en II zijn in den loop der eeuwen herhaaldelijk omgewerkt en in vreemde talen vertaald, zoowel in proza als in poëzie: de rijmdruk van Hinrek van Alcmer (ca. 1487), de Nederduitsche Reinke de Vos (1493).

Deze laatste kwam in de 17e e. als Den Grooten ende Nieuwen Reinaert de Vos naar de Nederlanden terug. Doch reeds in 1479 was te Gouda een prozabewerking van den R. verschenen, of misschien reeds vroeger, daar een Eng. vertaling van William Caxton, in 1481 en 1489, daarop schijnt te berusten.

Een nieuwe druk volgde te Delft in 1485; tot in 1564 het Antwerpsche volksboek van Plantijn uitkwam, waaruit vele latere volksboeken in Noord- en Zuid-Nederland zijn ontstaan.Onder den titel Reynardus Vulpes werd R.I. in het Latijn vertaald (tusschen 1267 en 1273) door zekeren Balduinus Junior; het Plantijnsche volksboek van 1564 werd in 1566 in het Fransch vertaald. Ook de Nederduitsche Reinke de Vos werd herhaaldelijk herdrukt; in 1544 verscheen een (ook meermaals herdrukte) Hoogduitsche vertaling; Goethe eindelijk bezorgde aan den Reinaert, dien „unheilige Weltbibel”, de onsterfelijkheid, al stond zijn bewerking nog zooveel lager dan het oorspronkelijke Middelnederlandsche gedicht.

Uitg.: de parallel-uitgave volgens het Comburgsehe en het vóór enkele jaren ontdekte Dycksche hs., door H. Degering en Buitenrust Hettema: het beste werkinstrument; verder door J. F. Willems (1836); door W. J. A.

Jonckbloet (1856); door V. L. Van Helten (1887); door F. Buitenrust Hettema en J. W. Muller (1903).

De laatste critische uitg. is die van J. W. Muller, met inl. (1914) en comm. (1917). Lit.: Is. Teirlinck, De Toponymie van den R. (1912); J. W. Muller, Reinaerts avonturen en rollen in en na de middeleeuwen (Versl. en Med.

Kon Vlaamsche Acad. 1926); de studiën van L. Willems (zi. dr. R. Roemans in Analytische bibliogr. van Dr. Le Willems, opgenomen in Hulde Dr. L.

W., 1934); V. Mierlo, Geseh. van de Oud- en Middelned. Letterk. (1928); G. Ehrismann, Gesch. der Deutschen Lit. bis zum. Ausgang des M. A. (1935).