E. en de Beeldenvereering. betekenis & definitie

Canon 36 luidt: „Het heeft ons behaagd, dat er in de kerk geen schilderingen mogen zijn, opdat niet aan de wanden geschilderd worde, wat vereerden aanbeden wordt.” Niet-Katholieken lazen hieruit, dat beeldenvereering in princiep, dogmatisch, werd afgekeurd.

Katholieken zien hier veelal slechts een disciplinairen maatregel. De motiveermg van E. geeft echter te denken. Men heeft daarom naar verschillende verklaringen gezocht. Het zou alleen gelden voor bovengrondsche lokalen en de reden zou zijn: gevaar voor profanatie en vernieling door heidenen. Anderen meenen, dat men vreesde voor bederf der schilderingen door slijting van het materiaal, wat dan oneerbiedig zou zijn tegenover de verheven voorstellingen. Weer anderen dachten, dat men vreesde, dat die voorstellingen de heidenen tot het maken van caricaturen zouden brengen. De meest waarschijnlijke verklaring is wellicht, dat men vreesde voor afgodische practijk in een land, waar de heidenen nog in de meerderheid waren en de Christenen nog veel omgang met hen hadden.

Lit.: Bareille, in Dict. Theol. Cath. (IV s.v. Elvire); Funk, in Kirchengesch. Abhandl. u. Untersuch. (I 1897); Hefele-Leclercq, Hist. des Conciles (I 1907).