SERMES (Jan), zoon van den voorg., heeft te Leiden gestudeerd; aldaar doctor geworden 10 Jan. 1710 op een dissertatie, liet hij zich 13 Mei d.a.v. door het colleg. medicum te Amsterdam immatriculeeren. Volgens Titsingh, Verdonkerde heelkonst 80, zou hij in zijn vroegen tijd door den bekenden chirurg G.
Borst in de kunst der chirurgie zijn opgeleid. Of dit vóór of na zijn promotie geschied is, wordt niet vermeld. Wel is bekend, dat hij nog in hetzelfde jaar van zijn vestiging aan Burgem. verlof vroeg en kreeg om zich op het gasthuis in lijkopeningen te oefenen en daarvan ook anderen te laten profiteeren. Vijfjaren later werd hij aangesteld tot operateur bij de diakonie en weldra kreeg hij, met instemming en op verzoek van Ruysch zelf, van de stedelijke regeering de opdracht om een gedeelte der lessen van Ruysch over de chirurgie en anatomie waar te nemen. Indien Titsingh waarheid spreekt (Diana 316), dan moet Sermes zich op welsprekende en schitterende wijze van zijn taak gekweten hebben en heeft zijn college over de zintuigen een bizonderen indruk op dezen chirurg gemaakt. Maar nog op andere wijze werd Sermes in de gelegenheid gesteld, zich als chirurg verder te bekwamen. In 1720 werd hem namens Burgem. gevraagd, of hij lust had de betrekking op zich te nemen van stadssteensnijder, waarmee men, naar het schijnt, Dr. Famars, die haar vervulde maar inzag er de noodige bekwaamheid niet voor te bezitten, een weinig overvallen had, een betrekking bovendien, die vermoedelijk van tijdelijken duur
was. Het aanbod werd niet afgeslagen en Sermes, die als sinds 1719 kennis gemaakt met een nieuwe methode van steenoperatie, die van Douglas, waarbij de blaas geopend werd door middel van een wond boven het schaambeen, zette zich aan het werk, om aan het lijk deze methode te bestudeeren en zoo mogelijk te perfectionneeren. Toen hij meende zijn doel bereikten het zekere middel gevonden te hebben, waarmee hij den voorwand van de blaas ten allen tijde gemakkelijk in 't gezicht zou kunnen brengen en houden, nam hij de eerste gelegenheid te baat, om 15 Jan. 1723 zijn verbeterde operatie op een kind toe te passen. De patiënt stierf 3 dagen later. De collega's, die, zooals dat toen gebruikelijk was, hem ter controle waren toegevoegd, waren niet voor nieuwigheden en betoogden bij de heeren van 't coll. med., dat Sermes tot deze operatie niet gekomen was door nauwgezette studie en anatomische kennis, maar door zijn ‘imprudente arrogantie’. En toen nu na den dood van Gomarus van Bortel (7 Dec. 1724) Sermes solliciteerde naar diens opengekomen betrekking van stadssteensnijder, werd door het om advies gevraagde collegium medicum deze ongelukkig verloopen operatie tegen hem uitgespeeld.
Noch de getuigschriften van eenige zijner collega's, die hem in vele gevallen gelukkig en handig hadden zien opereeren, noch zijn betoog, dat men zich omtrent de beteekenis der meergenoemde operatie vergiste, hadden eenig succes. Zelfs werd op een verzoek van Sermes, d.d. 30 April 1725, om iemand van den steen te mogen opereeren, ongunstig beschikt en hem werd aangezegd, dat hij niet verder weer een steensnijding verrichten mocht, voor hij, ‘omtrent zijn successen en vereyschte bequaamheeden nader contentement’, gegeven had.
Hiermee was hem de praktijk en het leven in Amsterdam onmogelijk gemaakt. Hij verplaatste zich naar Utrecht en trachtte daar een nieuwen werkkring te vinden. Of hem dit gelukt is, is niet met zekerheid te zeggen. Er wordt in officieele stukken bijna geen melding van hem gemaakt. Alleen vind ik, dat hij in 1731 aan het collegium chirurgicum (Oudt-ordonnantie-boek) een plaat present gaf, ‘behelsende een seer groote Hernia intestinalis, dewelke met succes is weggenomen en genezen’. Overigens schreef hij in 1729 een paar brieven van anatomischen aard aan Abr.
Titsingh uit Puntenburg en had hij drie jaren vroeger zijn Lithotomia Douglassiana (Utrecht) gepubliceerd, die een ietwat breedsprakige, maar toch nog al goede verdediging van de operatie met den hoogen toestel bevat. Tegelijkertijd verscheen zijn Korte verhandeling van een nieuwe manier van breuksnijden waar hij, op grond van anatomische onderzoekingen, aantoont, dat men bij herniotomieën de testes sparen kan en moet.
Zie: J. Banga, Geschiedenis geneeskunde 798 v.v.; C.E. Daniels in Lexikon d. hervorragenden Aerzte i.v.
A. Geyl