MODIUS (Franciscus), geb 4 Aug. 1556 te Oudenbourg in Vlaanderen, volgens anderen te Aardenburg in Zeeland, overl. 23 Juni 1597 te Aire, zich meestal noemende Modius Brugensis. Hij studeerde te Douai in de rechten en verkreeg daar in 1573 den doctorsgraad, werkte sinds 1575 te Leuven en had hier Petrus Peckius en Leoninus o.a. tot leermeesters, legde zich tevens op philologische studies toe en sloot vriendschapsbanden met Justus Lipsius en Franciscus Nansius.
Vooral de invloed van den eerste is van overwegende beteekenis op de latere richting van zijn studie geweest. In 1577 schijnt hij Leuven verlaten te hebben om een reis door Zuid- en Noord-Nederland te maken en bibliotheken te bezoeken. Wij treffen hem aan in Zeeland en Holland, waar hij eenige maanden vertoefde. De oorlogstoestanden en financieele moeilijkheden brachten hem ertoe het vaderland te verlaten en naar Duitschland te vertrekken, waar hij in Keulen een weldoener vond in Karel van Egmont, balling als hij, wiens steun hem zijn verdere leven vergezelde. Te Keulen in kennis geraakt met geleerden en philologen van naam, begint hij zich meer en meer op de studie van oude handschriften toe te leggen en in bibliotheken te werken, na als secretaris van den hessischen maarschalk
Riedesel van Eisenbach te zijn opgetreden. Het jaar 1581 ziet hem weder in Nederland terug ten einde zijne financieele omstandigheden en die van Egmont te regelen. Zijne pogingen ook die bij de Staten en den Prins van Oranje hiertoe aangewend, hadden weinig gevolg. Slechts voor Egmont kon hij een som gelds machtig worden. Ook reeds in 1580 schijnt Modius voor hetzelfde doel een reis naar het vaderland gemaakt te hebben, doch van de uitkomsten daarvan is niets bekend. Deze reizen deden hem zijn post als secretaris verliezen.
De bekende dichter Posthius hielp hem echter en van Oct. 1581 tot Sept. 1584 was hij secretaris en bibliothecaris van Erasmus Neustetterte Würzburg, dien hij op zijn reizen door Duitschland vergezelde. Een jaar bracht hij vervolgens met bezoeken van bibliotheken door te Fulda, Frankfort, Keulen, Aken, Luik en Brugge, om in 1585 als corrector in dienst te treden van den drukker Sigmund Feyerabend, bij wien hij twee jaren bleef. Voor diens pers bewerkte hij een aantal juridische werken en nieuwe uitgaven, o.a.J. Damhouder; P.C. Brederodius (Thesaurus Sententiarum, 1587); het Corpus Juris Canonici (1586, 3 dln.) en het C.J. Civilis van D.
Godofredus (1587, 4 dln.). Na dezen arbeid volgen van 1588-1590 weder een aantal reizen, totdat zijn beschermer van Egmont, die inmiddels proost van het St. Pieter-kapittel te Aire was geworden, hem hier in 1590 een kanonikaat bezorgde. Het volgend jaar weder in Duitschland reizend, werd hem een professoraat in de rechten te Würzburg aangeboden, waarvoor hij ten slotte bedankte. Zijn laatste jaren bracht hij te Aire door. Behalve de genoemde uitgaven zijn een aantal kleinere latijnsche gedichten van zijn hand bewaard en de hoofdwerkzaamheid van zijn leven, als resultaat van zijn studie van oude handschriften in tal van bibliotbeken, een groot aantal uitgaven van romeinsche klassieken, waarvan de voornaamste: Maphei Vegii Laudensis Astyanax et Vellus Aureum (Col. 1579); Q.
Curtii Rufi Historiarum magniAlex. Maced. Libri VIII (Col. 1579); F l. Vegetii Renati ... de re militari Libri IV (Col. 1580); Justini exT rogi Pompei historiis externis LibriXLIII(Col. 1582); Novantiquae Lectiones, tributae in epistolas centum (Francof. 1583); Justinus Trogi Pompeii Hist. Philipp. Epitoma (Francof. 1587); T.
Livii Patavini Histor. omnium Roman. Libri omnes. (Francof. 1588, 3 dln.).
J. Sadeler heeft 1587 zijn portret gegraveerd, en Ph. Galle heeft het gegraveerd voor de Icones von Miraeus.
Zie: P. Lehmann, Franciscus Modius als Handschriftenforscher (München 1908); A. Ruland in Archiv hist Vereins für Unterfranken und AschaffenburgXII; W. Seibt, Stud. zur Kunstund Kuliurgeschichte II (1882). van Kuyk