ook einde, end, o. e(i)nden; in het alg. in abstracte bet. eind(e), in concrete end (1 plaats, waar iets ophoudt; 2 het uiterste of meest verwijderde gedeelte v. e. zaak; 3 een van de, het verst van het midden gelegen, zijden of delen; kant, zijde; 4 overgebleven stuk; 5 stuk[je] van beperkte lengte; 6 afloop, besluit; slot; 7 doel, oogmerk, in verbindingen):
1. aan het eind van de straat; papier zonder eind, papier in grote (smalle) rollen; ten einde raad zijn, geen raad meer weten; Z.-N. dat is een straatje zonder eind, er komt geen eind aan, het is vervelend;
2. aan het eind der tafel; het bij het rechte eind hebben, gelijk hebben, het goed inzien, tegenst. het bij het verkeerde eind hebben; de einden (van het jaar) aan elkaar knopen, rondkomen; het einde zal de last dragen, de moeilijkheden komen eerst op het laatst;
3. de einden van het touw aan elkaar knopen;
4. een eind touw; een eind hout; zie ook eindje;
5. een lang eind; wat een eind, eer men er is; het is een heel eind; ’t is maar een klein eind, afstand; een heel eind in de zomer, diep;
6. dat was het eind van het lied; ten einde (of: op zijn eind) lopen; zonder eind, van een onafzienbare reeks; iems. einde, dood; zijn einde voelen naderen; het begin van het einde, met betrekking tot iems. dood; eind goed, alles goed, als alles goed afloopt, vergeet men de doorstane moeilijkheden; het einde van de wereld, a) ondergang, b) ver weg; iets tot een goed eind brengen, het er goed afbrengen; er komt geen eind aan; hij kwam treurig aan zijn eind, stierf; daar is het eind van weg, daar blijven ze mee bezig;
7. met vz. ik zeg het u, ten einde (met het doel, om) gij op uw hoede zoudt zijn; te dien einde (met dat doel) werk ik hard; z. kronen, kort.