Flessengeluk betekenis & definitie

Flessengeluk is onlangs gehoord in Nederlands-Limburg voor het laatste beetje uit de jeneverfles dat in kroegen gratis wordt geschonken.

In de Zeeuwse havenplaats Breskens spreekt men in dit verband van het geluk van de fles. Een informant schrijft: In de jachthaven Breskens bestel ik mijn kopstoot. Daarna nog een. Het dienstertje pakt een nieuwe fles en wil bij schenken. 'Ho, stop', roep ik, ze stopt en kijkt mij aan. 'Mijn rotterdammertje, amsterdammertje, of hoe het heten mag', zeg ik. Vol onbegrip kijkt ze mij aan. De bazin, die centraal achter de bar alles in de gaten houdt, ziet het kleine ongenoegen ontstaan en komt erbij. Na mijn uitleg zegt ze: 'Maar bij ons heet het "het geluk van de fles".'

De benaming flessengeluk zal zijn ontstaan als variant van het veel oudere kannen geluk. Dit woord is al in 1573 opgetekend en was in Vlaanderen aan het eind van de 19de eeuw nog gangbaar. Het werd toen gebruikt voor 'het laatste, het onderste uit de kan'. Wie dit kreeg zou goed trouwen, zo wilde het volksgeloof. Vandaar de herbergspreuken 'kannengeluk is vrouwengeluk' en 'kannengeluk is mannengeluk'. De Duitsers spreken van Kannengl├╝ck, de Fransen van la fortune du pot 'het geluk van de fles'. In Frankrijk zegt men bovendien le fond est pour les bons 'het onderste is voor de goede'.