Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Hanna

betekenis & definitie

(de begenadigde, of de bevallige) was één der beide vrouwen van den Leviet Elkana (1 Sam. 1 : 2). ’t Verhaal geeft den indruk, dat zij de eerste vrouw is geweest, en dat Elkana, toen het bleek dat zij onvruchtbaar was, door ernstige begeerte naar kinderen bewogen, er een tweede, Peninna, bij genomen heeft. Dit dubbel huwelijk, afwijking van de oorspronkelijke instelling Gods, werd een bron van verdeeldheid in ’t gezin, en van groot verdriet voor de vrome Hanna, die zich om haar kinderloosheid door Peninna voortdurend bespot en getergd zag.

Bij gelegenheid dat zij met haar man was opgegaan naar den tabernakel te Silo om te aanbidden en te offeren, knielde zij in den voorhof neder en smeekte den Heere om een zoon, onder belofte, hem levenslang als een Nazireër Gods aan den dienst des heiligdoms te zullen wijden (vs 11). Daar zich bij dit bidden alleen haar lippen bewogen, meende de hoogepriester Eli dat zij dronken was (vs 13), maar door Hanna van zijn vergissing overtuigd, beloofde hij haar de verhooring harer bede (vs 17).

Na eenigen tijd werd zij de moeder van een zoon, dien zij Samuël noemde (vs 20) en dien zij, toen hij gespeend was, waarschijnlijk op zijn derdejaar, tot den hoogepriester te Silo bracht (vs 24). Terzelfder plaatse, waar zij tevoren haar ziel had uitgegoten voor het aangezicht des Heeren, sprekende uit de veelheid van haar gedachten en van haar verdriet, dankte zij den Hoorder der gebeden in een heerlijken lofzang (1 Sam. 2 : 1—10).