Wat is de betekenis van zoetigheid?

2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zoetigheid

zoetigheid - Zelfstandignaamwoord 1. (voeding) etenswaar met een zoete smaak Wil je wat zoetigheid op de boterham of liever iets hartigs? Woordherkomst Afgeleid van zoetig met het achtervoegsel -heid.

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zoetigheid

zoetigheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: zoe-tig-heid 1. eten of snoep met een zoete smaak ♢ je moet niet zoveel zoetigheid eten Zelfstandig naamwoord: zoe-tig-heid de zoetigheid de...

Lees verder
1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zoetigheid

v., 1. eigenschap van zoet te zijn; 2. aangenaamheid, bevalligheid, lieflijkheid; 3. (-heden) zoete lekkernij, snoeperij.

Lees verder
1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zoetigheid

s., swietekau, swietichheit, kies-, kiezzekau.

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zoetigheid

v., 1. het zoete, eigenschap van zoet te zijn ; 2. aangenaamheid, bevalligheid, liefelijkheid ; — winst, voordeel: 3. (...heden), wat zoet is, zoete lekkernij, snoeperij : kinderen houden doorgaans veel van zoetigheid.; thee met een zoetigheidje.

Lees verder
1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zoetigheid

v. zoetigheden (1 het zoet zijn; 2 hetgeen een zoete smaak teweegbrengt, ook fig.: inz. in het mv.: snoepgoed, lekkers): 1. de zoetigheid van saccharine; 2. keur van zoetigheidjes.

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

zoetigheid

('zoetəcheit) v. (...heden) I. Eig. het zoet zijn. II. Metf. aangenaamheid, bevalligheid, liefelijkheid. III. Metn. 1. [van I] lekkernij, snoeperij: van zoetigheden houden; een keur van zoetigheden. 2. [van II] winst, voordeel.

Lees verder
1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZOETIGHEID

ZOETIGHEID, v. het zoete, eigenschap van zoet te zijn; — (fig.) aangenaamheid, bevalligheid, liefelijkheid; winst, voordeel; —, v. (...heden), (fig.) lekkernij, snoeperij : kinderen houden doorgaans veel van zoetigheid.

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Zoetigheid

Zoetigheid, v. gmv. het zoete, eigenschap van zoet te zijn; (fig.) aangenaamheid, bevalligheid, liefelijkheid; winst, voordeel. *-, (fig.) zoetigheden, lekkernijen, snoeperijtjes.