Wat is de betekenis van Vormleer?

2007
2022-09-26
logopedie

Logopedisch Lexicon

Vormleer

(v.(m.)), → syntaxis.

1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vormleer

v./m., 1. onderwijs door middel van aanschouwelijke voorbeelden; 2. leer van de muzikale compositievormen; 3. morfologie; 4. (taalkunde) deel van de grammatica dat handelt over vormveranderingen van woorden.

Lees verder
1962
2022-09-26
Muziek Encyclopedie

Geschreven door S. van Ameringen (1962)

vormleer

in de muziektheorie een discipline die zich bezighoudt met de functie van het muzikale materiaal in het kader van de muziekvorm. In de 19de eeuw was er de indeling van de vormen in min of meer grote eenheden. Thans ligt het accent meer op de ontplooiing van de vorm in de tijd, op het kinetische element ervan. Muziekvormen zijn gebaseerd op letterli...

Lees verder
1949
2022-09-26
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Vormleer

naam voor dat deel der spraakkunst waarin de vormveranderingen der woorden behandeld worden. De V. of flexie wordt gewoonlijk onderscheiden in verbuiging (van naamwoord en telwoord) en vervoeging (van het werkwoord).

1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vormleer

v.; aanschouwelijke meetk.; leer der muzikale compositie-vormen; etymologie; studie, waarbij men zijn aandacht vestigt op de vorm der planten.

1933
2022-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Vormleer

1° (nat. Hist.) ander woord voor ➝ morphologie. 2° (Bouw k.j. In het algemeen de wetenschap omtrent de in de bouwkunst toe te passen vormen, en dus in wezen nauwelijks te onderscheiden van de leer van het bouwkundig schoone of de architectonische aesthetica. In dc practijk behelst de v. slechts een nederig deel van dit gebied en omvat zij...

Lees verder
1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

vormleer

('vorm) v. leer van de vorm nl. 1. leer der muzikale kompositie vormen. 2. aanschouwelijke meetkunde. 3. Taalk. leer van de vorm der woorden voor zover deze beheerst worden door buiging en afleiding. Syn. morfologie.

Lees verder
1908
2022-09-26
Vivat

Schrijver op Ensie

Vormleer

onderdeel der taalkunde, hetwelk zich bezig houdt met den vorm der woorden, voor zoover deze wordt beheerscht door verbuiging en afleiding. In de mathematica: de leer van de vlakken en lichamen; in de nieuwere paedagogiek zooveel als een inleiding voor het eigenlijk onderwijs in de mathematische vakken; zij is in de didactiek ingevoerd door Pestalo...

Lees verder
1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VORMLEER

VORMLEER - v. de leer van den vorm of de gedaante der dingen, en van de onderscheidene afmetingen en betrekkingen, waarnaar de vorm en de grenzen hunner uitgebreidheid aangeduid en beoordeeld worden; (paed.) aanschouwelijke meetkunde ; — (taalk.) onderdeel der taalkunde dat zich bezig houdt met den vorm der woorden voorzoover deze beheerscht...

Lees verder
1870
2022-09-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Vormleer

Vormleer (De), een tak van lager onderwijs, is eene soort van aanschouwelijke meetkunde. Zij leert hoe door lijnen figuren worden gevormd en door vlakken ligchamen. De geleidelijke en doelmatige zamenstelling en ontleding van die figuren en ligchamen wordt als een uitstekend middel beschouwd, om het denkvermogen der kinderen te oefenen.