Wat is de betekenis van vlieden?

2024-02-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

vlieden

Het begrip vlieden heeft 4 verschillende betekenissen: 1) vluchten. vluchten. 2) snel voorbijgaan. snel voorbijgaan; voorbijvliegen. 3) vervliegen. vervliegen; wegtrekken uit. 4) voorbijstromen. vlieten; voorbijstromen.

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vlieden

vlieden - Werkwoord 1. ergatief formeel: (van tijd) voorbijgaan De tijd vliedt!'' — «De tijd verloopt sneller dan je denkt.». 2. ergatief formeel: snel weg trachten te komen, vluchten De herten, vliedend voor het wassende water, be...

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vlieden

v., flechtsje.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vlieden

(vlood, is gevloden), 1. zich snel bewegen, bep. zich snel verwijderen, meest oneig., in hog. st.: het vlieden van de tijd; 2. (hog. st.) wijken, vluchten : zij vloden als hazen; tot iem. vlieden; — (fig.) wijken : waar hij kwam, vloden alle kwalen (Staring); 3. vermijden, ontvluchten: slechte gezelschappen, de ledig...

Wil je toegang tot alle 12 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vlieden

vlood, i. gevloden (lit. t. vluchten, ontvluchten); vlied het gevaar, de ledigheid.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

vlieden

(vlood, is gevloden) Verh. 1. snel vluchten: tot iemand -. 2. snel ontwijken: vlied het gevaar. Syn. ➝ mijden.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Vlieden

(vlood, is en heeft gevloden), (litt.) 1. vluchten, op de vlucht gaan: voor iets of iemand vlieden. 2. wegtrekken, wijken: waar hij kwam, vloden alle kwalen; 3. ontvluchten: de ledigheid vlieden.

2024-02-29
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Vlieden

van den Germ. wt. thluh en thlug (thl gaat meermalen in vl over) = wegvluchten. Het woord is niet verwant met vliegen, waarvan de wt. plugh is.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

VLIEDEN

VLIEDEN - (vlood, heeft of is gevloden), vluchten; tot iem. vlieden, de vlucht nemen; slechte gezelschappen vlieden, vermijden, ontvluchten.

2024-02-29
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Vlieden

zie Mijden.

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Vlieden

Vlieden, bw. ow. ong. (ik vlood, heb of ben gevloden), vlugten.

2024-02-29
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Vlieden

Fugere, aufugere, terga vertere, terga dare. germ. flyehen: ang. flye.