Wat is de betekenis van ten?

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

ten

ten - Voorzetsel 1. samentrekking van te + den (enkelvoud w:datief|datief mannelijk en onzijdig), komt voor in staande uitdrukkingen Dat is ten eerste niet gewenst en ten tweede niet mogelijk.

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

ten

ten - lidwoord 1. te + den ♢ de vergadering is ten huize van de voorzitter Lidwoord: ten

2024-02-25
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

ten

tot, by, in, na, vir.

2024-02-25
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

ten

tien; tiental; (it is) ten to one, tien tegen één.

Wil je toegang tot alle 9 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Ten

I. TEN samengetrokken uit te den, zie te (I). II. TEN kopp. van ’t en het ontkennend bw. en, niet. Thans, behalve in tenware en tenzij, veroud., maar in Z.-Ned. nog gebruikelijk in de verb. : ten doet, toch niet; ten zal, het zal niet.

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

ten

vz. (uit: te + den): ten huize, in het huis; ten dele, voor een deel; ten eerste, ten tweede, ten behoeve; ten hemel, ten noorden.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Ten

Ten - samengetrokken uit te den, zie TE.

2024-02-25
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Ten

Ten, vz. aan -, bij -, op -, voor -, in de (den of het); - huize, in het huis; - deele, voor een deel of gedeelte; - aanzien van, betreffende, rakende; - eerste, in de eerste plaats, vooreerst; - andere, in de tweede plaats; - (naar den) hemel; - einde, opdat; - goede, in een goeden zin, met een goed doel; - noorden, in de rigting naar het noorden;...

2024-02-25
Etymologicum 1573

Cornelis Kiliaan (1573)

Ten

Ad, in, versus. Ten oosten. Orientem versus, ad orientem. Ten tijde dat. Tempore illo quo: cùm. Ten lesten. Demum, tandem, postremó. Ten hooghsten Summum, ad summum. Ten minsten. Minimum.