publiek (openbaar)
[Lat.], bn. en bw. (-er, -st), openbaar, niet-geheim: de zitting, het examen is publiek; een publiek geheim, iets dat iedereen weet, hoewel er officieel niets over gezegd wordt: een publiek schandaal, overal bekend; iets publiek maken, er algemene bekendheid aan geven (m.n. door de pers); (bw.) openlijk, in het openbaar: iemand publiek te schande...