Wat is de betekenis van parcours?

2018
2022-05-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

parcours

parcours - zelfstandig naamwoord uitspraak: par-koers 1. route die deelnemers aan een wedstrijd moeten afleggen ♢ ons huis staat langs het parcours van de wielerwedstrijd Zelfstandig naamwoord: par-koers het parcours...

Lees verder
2017
2022-05-27
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Parcours

Parcours - (Fr.) de door de renners te volgen weg. Bij wegwedstrijden is de openbare weg hiervoor afgezet en voorbehouden aan de renners. Bij veldrijden of cyclo-cross gaat het parcours over of door hindernissen als greppels, modderig of zanderig terrein e.d. Eng. track.

2010
2022-05-27
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

parcours

parcours: omloop, route die de renners moeten afleggen; wielerparcours, roadbook, spaghettiparcours.

2009
2022-05-27
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

parcours

Frans woord voor de door de renners te volgen weg. Bij wegwedstrijden is de openbare weg hiervoor afgezet en voorbehouden aan de renners. Bij veldrijden of cyclocross gaat het parcours over of door hindernissen als greppels, modderig of zanderig terrein e.d. De Engelse term is track. Al in 1968, toen de start nog in Helmond plaats vond, kreeg de Go...

Lees verder
2009
2022-05-27
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

parcours

(het; -en) SP - af te leggen weg, traject bij een sportwedstrijd, bv. disk- golfparcours. • Al geruime tijd zijn we aan het nadenken over de aanleg van een diskgolfparcours in het Sloterpark. (lists.frisbeesport.nl). De leerlingen worden beoordeeld op twee onderdelen van frisbee: tijdens het afsluitende ultimate-frisbeetoemooi en bij het diskgolfpa...

Lees verder
2009
2022-05-27
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

parcours

(het; -en, onv.) SP - af te leggen weg bij een sportwedstrijd, bv. wielerparcours, wegparcours, crossparcours, syn. parkoers: een zwaar, makkelijk, modderig, geaccidenteerd parcours.

2008
2022-05-27
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

parcours

(het; -en) LO - af te leggen weg (m.n. bij sportwedstrijden)

1994
2022-05-27
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Parcours

[Fr., van par-courir = door-lópen, van par = Lat. per, en Lat. currere = lopen] de door deelnemers aan een wegwedstrijd eens of meermalen af te leggen weg.

1993
2022-05-27
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Parcours

(parkoers) af te leggen weg

1973
2022-05-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

parcours

o. (-en), (te) doorlopen weg; m.n. baan die door deelnemers aan een wedstrijd moet worden afgelegd.

1955
2022-05-27
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Parcours

o., de af te leggen weg.

1950
2022-05-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Parcours

(Fr.), (te) doorlopen weg.

1948
2022-05-27
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

parcours

(Fr.) o. doorlopen weg; libre vrije doortocht; recht om van een spoorlijn gebruik te maken.

1937
2022-05-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

parcours

o. (Fr. doorlopen weg).