Wat is de betekenis van optimistisch?

2018
2023-02-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

optimistisch

optimistisch - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: op-ti-mis-ties 1. geneigd om alles positief te bekijken ♢ ik ben optimistisch over de afloop Bijvoeglijk naamwoord: op-ti-mis-ties ... is optimistischer dan ......

Lees verder
1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

optimistisch

bn. en bw. (-er, meest -), 1. van de aard van een optimist: een optimistische levensbeschouwing; 2. vervuld van optimisme: de uitkomst heeft de meest optimistische verwachtingen overtroffen.

Lees verder
1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Optimistisch

bn. bw. (-er, meest—), 1. van den aard van een optimist: een optimistische levensbeschouwing; 2. vervuld van optimisme : ik ben te dien aanzien niet optimistisch.

Lees verder
1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

optimistisch

bn., bw. ([als] van een optimist): een optimistische levensbeschouwing; iets optimistisch voorstellen, zeer gunstig.

1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

optimistisch

('mistis) bn. en bw. van, als (van) een optimist: een -e levensbeschouwing; de toekomst inzien.

1908
2023-02-07
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Optimistisch

hoopvol, goedhoopsch.

1898
2023-02-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Optimistisch

Optimistisch - bn. bw. (-er, meest-), overeenkomstig de denkbeelden van een optimist: eene optimistische levensbeschouwing.

Gerelateerde zoekopdrachten