Omringen
(omringde, heeft omringd), 1. aan alle kanten omgeven, zich in een kring om iets heen bevinden: de gracht die het kasteel omringt; de hovelingen omringen de vorst; hij vergat al wat hem omringde; een krans van grijsachtige haren omringde zijn kruin; 2. rondom insluiten, omsingelen: door vele vijanden omr...