Wat is de betekenis van negenoog?

2020
2022-05-23
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

negenoog

Het begrip negenoog heeft 3 verschillende betekenissen: 1) kaakloze vis; lamprei. dier uit een familie van waterdieren met een zuigmondje die lijken op palingachtige vissen; groep kaakloze vissen met een schedel; lamprei. Wordt soms ook gebruikt voor een specifiek soort lamprei, zoals voor de rivierprik, beekprik of zeeprik. 2) gr...

Lees verder
2020
2022-05-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

negenoog

(1995) (inf.) iemand die alles nauwlettend nakijkt, die als het ware negen ogen heeft. •Stil maar: ik besef natuurlijk heel goed dat zelfs een negenoog mijn produktie niet zou kunnen bijhouden. (NRC Handelsblad, 08/09/1995)

Lees verder
2019
2022-05-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

negenoog

negenoog - Zelfstandignaamwoord 1. (medisch) steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineenvloeien (karbonkel) 2. (vissen) Petromyzonidae riviervis Woordherkomst samenstelling van negen en oog Synoniemen [2] lamprei, prik, rivierprik

Lees verder
2010
2022-05-23
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

negenoog

Zie (ook) steenpuist

1997
2022-05-23
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

negenoog

zie loopoog.

1973
2022-05-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

negenoog

v./m. (-ogen), 1. prik; 2. (ook: karbonkel), carbunculus, goedaardige of kwaadaardige steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineenvloeien. GENEESKUNDE Een negenoog is een huidaandoening waarbij een ophoping van vaak etterige puisten is waar te nemen als een rode verdikking. De negenoog gaat uit van een haarvat of talgklier, en tast zelf...

Lees verder
1954
2022-05-23
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Negenoog

karbonkel, carbunculus, een omschreven diepe etterige ontsteking in het onderhuidse weefsel uitgaande van een etterige haarzak-ontsteking, welke al spoedig op een aantal plaatsen naar buiten doorbreekt. Is meestal op te vatten als een groep steenpuisten (zie aldaar). Een enkele maal is het een specifieke infectie, bijv. anthrax.

Lees verder
1952
2022-05-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Negenoog

s., njoggeneach.

1950
2022-05-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Negenoog

v. (...ogen), 1. lamprei, prik, een riviervis; 2. (geneesk.) kwaadaardige steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineenvloeien; 3. (gemeenz.) iem. die alles nauwkeurig naziet, die op alleslet of alles bevit.

Lees verder
1949
2022-05-23
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Negenoog

(carbunkel), ontsteking van de huid door staphylococcen, die zich snel in de diepte uitbreidt. Behandeling door arts is noodzakelijk.

1939
2022-05-23
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Negenoog

Bewijst dat men wel ogen op zijn rug kan hebben.

1937
2022-05-23
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

negenoog

v. negenogen (lamprei, prik II; ook: kwaadaardige bloedzweer).

1933
2022-05-23
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Negenoog

(geneesk.), ➝ Carbunkel; (dierk.) ➝ Rivierprik.

1898
2022-05-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Negenoog

Negenoog v. (-en), (nat. hist.) lamprei, prik: een riviervisch; — (gen.) kwaadaardige bloedzweer; — (gemeenz.) iem. die alles nauwkeurig naziet, die op alles let of alles bevit. NEGENOOGJE, o. (-s).

Lees verder