Meubilair
I. bn., tot het huisraad behorende: meubilaire goederen. II. zn. o., 1. (rechtst.) huisraad; 2. de meubelen waarmee een kamer of een huis is gestoffeerd.
Benieuwd hoe Ensie en Prisma digitale woordenboeken jouw lessen kunnen versterken?
Van Dale Uitgevers (1950)
I. bn., tot het huisraad behorende: meubilaire goederen. II. zn. o., 1. (rechtst.) huisraad; 2. de meubelen waarmee een kamer of een huis is gestoffeerd.
Wiktionary (2019)
meubilair - Zelfstandignaamwoord 1. een verzameling meubels bedoeld om een kamer mee in te richten ♢ We hebben net een nieuw meubilair aangeschaft. meubilair - Bijvoeglijk naamwoord 1. betrekking hebbend op de inrichting van een gebouw Woordherkomst afgeleid van het Fr...
Muiswerk Educatief (2017)
meubilair - zelfstandig naamwoord uitspraak: meu-bi-lèr 1. alle meubels bij elkaar ♢het meubilair van mevrouw Van Berkel is nogal ouderwets Zelfstandig naamwoord: meu-bi-lèr het meubilair
M. J. Koenen's (1937)
1. o.; (Fr. mobiliaire met invloed v. meubel): huisraad: het meubilair van een kamer, de verschillende meubels ener kamer; 2. bn.; op het huisraad betrekking hebbende, daartoe behorende: diverse meubilaire en andere goederen; ook: (Fr.) mobilair.
Jozef Verschueren (1930)
(meubi'le:r) 1. o. [Fr.] gezamenlijke meubels, huisraad. 2. bn. tot het meubilair behorend : -e goederen.
Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)
I. bn., tot het huisraad behorend: meubilaire goederen; II. zn. o., 1. (vero. en rechtstaal) huisraad; 2. de meubelen waarmee een kamer of een huis is gestoffeerd; bij het horen, er vaste bezoeker zijn.
J.H. van Dale (1898)
Meubilair o. huisraad, de meubelen waarmede eene kamer of een huis gestoffeerd is; — bn. tot het huisraad behoorende: meubilaire goederen.
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: