Wat is de betekenis van inspecteur?

2020
2022-10-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

inspecteur

Het begrip inspecteur heeft 2 verschillende betekenissen: 1) iemand die iets inspecteert. iemand die voor zijn beroep iets inspecteert; controleur. 2) politieagent onder hoofdinspecteur. politieagent met een specifieke rang, in Nederland tussen brigadier en hoofdinspecteur en in België tussen agent en hoofdinspecteur; ook: rang...

Lees verder
2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

inspecteur

inspecteur - Zelfstandignaamwoord 1. (beroep) iemand wiens taak het is inspecties uit te voeren Hij is inspecteur in de bouw. 2. (beroep) een rang in de hiërarchie van de politie tussen brigadier en hoofdinspecteur Woordherkomst Naamwoord van handeling van inspecteren met het achte...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

inspecteur

inspecteur - zelfstandig naamwoord uitspraak: in-spec-teur 1. iemand die voor zijn beroep zaken onderzoekt ♢ hij is inspecteur van politie Zelfstandig naamwoord: in-spec-teur de inspecteur ...

Lees verder
1993
2022-10-06
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Inspecteur

(inspekteur) opziener; politierang

1981
2022-10-06
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Inspecteur

iemand die belast is met het toezicht over een gebied of een dienst. Het is ook een titel bij de politie, bij het onderwijs van gemeenten en rijk. Men kent ook de inspecteur-generaal, bij de krijgsmacht, bij het onderwijs.

Lees verder
1954
2022-10-06
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Inspecteur

(veet.) (1) Een aan een stamboek verbonden functionaris, die belast is met de keuring van de voor inschrijving aangegeven dieren. (2) Ambtenaar (veearts) van de veeartsenijkundige dienst, welke belast is met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de veewet.

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Inspecteur

s., ynspekteur.

1952
2022-10-06
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Inspecteur

inspecteur, opziener, opzichter; inspecteur d’Académie, schoolopziener (bij het m.o.); inspecteur (de l'enseignement) primaire, schoolopziener (bij het l.o.).

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Inspecteur

(Fr.), m. (-s), ambtstitel voor iem. wie de inspectie van, het opzicht en toezicht over iets is .opgedragen: inspecteur der registratie en domeinen; inspecteur bij het middelbaar, lager onderwijs; inspecteur van de arbeid; inspecteur bij een levensverzekeringsmaatschappij; — bij de plaatselijke politie is inspecteur een rang.

1948
2022-10-06
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

inspecteur

m. opziener, controlerende onderzoeker.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

inspecteur

m. inspecteurs, inspecteuren (Fr. opziener, toezichthouder): — van het onderwijs, de belastingen, de arbeid; Lat. inspector.

1908
2022-10-06
Vivat

Schrijver op Ensie

Inspecteur

iemand die belast is met een inspectie, die toezicht heeft over een tak van dienst of over een onderdeel daarvan.

1908
2022-10-06
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Inspecteur

opzichter.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Inspecteur

INSPECTEUR, m. (-en, -s), ambtstitel voor hem, wien de inspectie van, het opzicht en toezicht over iets is opgedragen: inspecteur der registratie en domeinen; inspecteur van politie; inspecteur bij het middelbaar, lager onderwijs; inspecteur van den arbeid.

1864
2022-10-06
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

inspecteur

inspecteur - m. (inspecteuren, inspecteurs), opzichter

1844
2022-10-06
vrijmetselaren

Woordenboek voor vrijmetselaren, 1844

Inspecteur

INSPECTEUR (De) is de titel des Opzieners in de meeste hoogere graden, ook voeren eenige hooge graden zelve dien naam.