Huishoudelijk
bn. (-er, -st), 1. met aanleg en neiging voor het huishouden, goed wetende huis te houden: een huishoudelijke vrouw; — blijk gevend van die gezindheid : de helft weg te werpen, dat is niet huishoudelijk ; 2. op de huishouding betrekking hebbende : huishoudelijke zaken; voor huishoudelijk gebruik, om in de huishoud...