Wat is de betekenis van Grei?

1950
2021-07-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Grei

m., (Zuidn.) lust, begeerte, welgevallen : geld en goed dat is de grei van de vrek; het is geen grei, het is kwa grei, liet is niet aangenaam, er is geen reden tot vreugde.

1898
2021-07-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Grei

GREI, m. (Zuidn.) lust, begeerte, welgevallen: geld en goed dat is de grei van den vrek; het is geen grei, het is kwa grei, het is niet aangenaam, er is geen reden tot vreugde.