Wat is de betekenis van firm?

1951
2022-06-25
Engels

Woordenboek Engels (1951)

firm

1. naam, firma. 2. vast, standvastig; vastberaden; hard, stevig, flink; be firm, op zijn stuk blijven staan; 3. vast maken (zetten); 4. vast worden; firm up, vaster worden [prijzen].

Lees verder