Wat is de betekenis van Dijen?

2024-07-14
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

dijen

dijen - Werkwoord 1. toenemen, groeien, tot wasdom komen dijen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dij

2024-07-14
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Dijen

v., (oan)dije, tadije, ûtsette, tine.

2024-07-14
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

dijen

dijde, i. gedijd (uitzetten; Z.-N. groeien): Z.-N. dat koren dijt; zie gedijen.

2024-07-14
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

dijen

(’dijən) (dijde, is gedijd) 1. in omvang toenemen door innerlijke kracht : bonen bij het koken. Syn. opzetten, (zich) uitzetten, zwellen. 2. gedijen : planten hier niet.

2024-07-14
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Dijen

(dijde, is gedijd), 1. opzwellen, uitdijen: rijst moet dijen; 2. zie gedijen.

2024-07-14
Etymologisch Woordenboek

Amsterdam University Press

2024-07-14
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Dijen

DIJEN, (dijde, is gedijd), opzwellen, uitdijen rijst moet dijen; — gedijen, tieren die planten dijen hier niet; — *t zal er nog heel wat aan moeten dijen, eer..., ’t zal nog heel wat ten goede moeten keeren.